— IO —

het pijpen van het buitenland, omdat ge uw zelfstandigheid als
natie economisch niet hebt weten te handhaven! Gij wilt liever
geknecht worden door den vreemdeling, dan samengaan met Uws
gelijken, Uw landgenooten! Ofschoon internationalisme op den
duur der nijverheid zooveel voordeelen oplevert, dat wij dien
kant tóch opdrijven, zoo ís de weg, die daarheen voert, voor onze
tegenwoordige denkwijze toch nog niet overal aangewezen. Waaraan
 thans gewerkt moet worden, dat is aan de schakel, welke
hedt: nationale eenheid in het bedrijf! Alleen dan zullen de
groote bruggebouwers (indien wij dat werk niet zelf alleen kunnen
of willen doen) bij het ontmoeten van een goed georganiseerden
nationalen tegenstand rekening met ons moeten houden uit eigen
belang.
Wie nu in Nederland eenige pogingen gedaan heeft om samenwerking
 tot een gemeenschappelijk economisch doel in de nijverheid
tot stand te brengen, weet uit de practijk alle antwoorden, die
hij met zijn voorstellen uitlokt.
„Mijnheer, wie is U?’ Deze vraag wordt U in gedachten
of in werkelijkheid gedaan, al naar mate van Uw algemeene
bekend- of onbekendheid.
Het kiezen van een organisator is dan ook werkelijk, wil men
tot een resultaat komen, van het allergrootste belang. Hij kàn
zijn de eerste onder zijns gelijken of nog beter iemand van erkende
capaciteiten, welke bij het samenwerken als zoodanig in het geheel
niet geïnteresseerd is, een bank, een rechtsgeleerde, een trust,
kantoor of wie dan ook. De eerste onder zijns gelijken zal in
den regel geen animo gevoelen om zĳn schipperende collega's op
sleeptouw te nemen en zijns gelijken zullen hem allicht van eigenbelang
 verdenken, wellicht is het oordeel: „past op, wij worden
de dupe van onzen collega, als wij zijn voorstellen aannemen,”
of wèl: „'t schijnt hem toch niet zoo goed te gaan als wij
meenden.” En of hij nu al zegt; „heeren, op den duur is samenwerking
 noodig. Onze moeilijkheden zullen grooter worden. Wij
zullen ons verzwakken door onderlinge toomlooze mededinging,
tegenover het buitenland, dat bezig is zich te concentreeren en
in staat is ons elk afzonderlijk dood te drukken, door betere
arbeidsverdeeling dan bij ons elk afzonderlijk mogelijk is, of door
kapitaalkracht, of door regeeringssteun, of door monopolies”. Helaas,
de argwaan in het hart der collega's zal moeilijk te dooden zijn;
helaas, en misschien, terecht, en zoo zal geen samenwerking