[2 —

Zeer juist schikt ge U ondanks tegenpruttelen in de lasten en
verplichtingen, die de gemeenschap aan Uw bedrijf oplegt; is
het eveneens zeer juist, dat ge van haar hùlp geen gebruik wilt
maken? integendeel. Uw redeneering moet zijn: gij belet mij veel
te doen, wat ik tot eigen voordeel zou kùnnen doen, welnu,
help mij te verkrijgen, datgeen wat iK alleen niet kan bereiken,
Verleen mij een contra-prestatie.
Laten wij toch niet vergeten, dat het voor een groot deel de
regeeringsvertegenwoordigers zijn, die aan de groote productiecentra
 steeds nieuwe levendigheid helpen toevoeren. Vergeten wij
toch niet, dat de staat een economisch wapen (een gevaarlijk
tweesnijdend wapen) heeft in de tarieven van invoer, uitvoer en
doorvoer. Vergeten wij toch niet, dat onze regeering buitenlandsche
 octrooien toelaat. Kan niemand toch ontkennen, dat
alle takken van bedrijf zich reeds thans tot de regeering künnen
wenden en dat men dat ook vaak al doet om steun en voorlichting;
 dat die steun en voorlichting steeds welwillend verstrekt
wordt, met den besten uitslag vaak; alleen is de regeering huiverig
„zich op te dringen” vandaar dat menig nijveraar zich verbeeldt
dat de regeering niets voor hem kan en wil doen. Waarom
zouden die takken van bedrijf, die zich thans nog individueel te
onafhankelijk achten, zich niet tot de regeering kunnen wenden
en zeggen: „Ziet hier, ons bedrijf is gezond, maar in de toekomst
zien wij die en die gemeenschappelijke bezwaren. Wij vragen
leiding en steun om tot samenwerking te komen. Wij vragen dit
aan de regeering, omdat deze geen „partij is en de kracht heeft
ons in ons wettig streven te helpen en voor te lichten”. Het
„hoe” is wel te vinden, wanneer de vakgenooten maar hun
bezwaren voor heden en de toekomst kenbaar maken. Hetzij
deze bestaan uit hooge rechten, waarvan zij de invoering
duchten in de landen van hun afzetgebied; hetzij de aanvoer
der grondstoffen niet vaststaat, hetzij het credietwezen verandering
 behoeft om elders te kunnen mededingen, hetzij een goede
opleiding in een bepaald vak in Nederland ontbreekt of wat voor
bezwaren of moeilijkheden dan ook. Werkelijk het gaat niet aan,
maar te negeeren wat buitenlandsche regeeringen doen voor haar
nijverheid dus veelal tègen onze nijverheid. Het gaat niet aan
den stroom van producten af te wachten, die langzaam of snel
met staatshulp en voorlichting beter of goedkooper geleverd
kan worden dan de Nederlandsche nijverheid die kan voort-