DUITSCHLAND.

Nadat door de bescherming van Koning Friedrich Wilhelm
van Pruisen de beetwortelsuikerfabrikatie op groote schaal mogelijk
 was geworden, bestond er omstreeks het jaar 1813 in
Duitschland een veelbelovende suikerindustrie, die spoedig na
de intrekking van het Continentale Stelsel weer verminderde,
doch geenszins te niet ging. Omstreeks het jaar 1830 werd de
industrie door de in de kultuur van de beetwortelen en in de
fabrikatie aangebrachte verbeteringen meer en meer levensvatbaar,
 waartoe de omstandigheid krachtig medewerkte, dat er
van buitensland aangebrachte suiker een invoerrecht van 54
Mark per too K.G. tuwe en 60 Mk. van witte suiker geheven
werd, terwijl de binnensland geproduceerde suiker vrij van rechten
 was. 1) Bij uitvoer van uit ingevoerde rietsuiker bereide
kandij werd een restitutie van 36 Mark per 100 K.G. verleend.
In het jaar 1839 waren er dan ook reeds 152 suikerfabrieken
in Duitschland werkzaam, die te zamen 220.282 ton ‘beetwortelen
 verwerkten en daaruit 12.660 ton suiker of 5.75 pCt. bereidden,
 tevens werd er 3.80 pCt. melasse geproduceerd.
In het jaar 1840 werd er eene belasting op de verwerkte beetwortelen
 gelegd van 5 pfennige per 100 K.G. en daar in dat
jaar het rendement 5.88 bedroeg stond dit gelijk met een accijús
 op de suiker van 85 pf. per 100 K.G., terwijl het invoerrecht
 op c4 Mark per 100 K.G. ruwe suiker bestaan Dleef. In

(2 Verschillende van de hier aangehaalde cijfers zijn ontleend aan Ernst
Glanz, Die Statistik des Zuckers in Deutschen Reich.
Arrilheft 1911, Z. d. V.d. D. Z. S.