aantal steeg zelfs tot 427 in het jaar 1862. Ieder jaar kwamen
er nieuwe ondernemingen bij, maar ieder jaar verdwenen er
ook weer en al die fabriekjes lagen op het platte land en hadden
een zeer bescheiden capaciteit.
Het volgende staatje geeft een goed beeld van den toestand
van de industrie tusschen de campagnes 1950/51 en 1861/62.

Campagne.

1850/51
1851/52
1852/53
1853/54
1854/55
1855/56
1856/57
1857/58
1858/59
1859/60
1860/61
1861/62

tantal fabrieken

oo 1 : '
bb, du
Ss ww ij
s5a| =8s u“ ‘
“59 ]| Ox » &amp;
gs &amp; z

349 358
358 382
382 391
391 397
397 395
395 403
403 401
401 401
401 426
126 433
433 a | 421
427] 5 | 15 | 417

en ee
Ox 4 Sg ex
“3 = US 55E
Tige z5 Ee8
CE 5x De
Ee"g S2S ze
53 S Zas 358
73 ä = ges

14.788
27.652
23.372
25.619
21.056
34.678
30.763
40.124
29.059
44.063
— |]

800.0
9393
701.2
T.130.0
1.350.0
1.300.0
v/040:3|
g22.9í
1.203.71
871.8
1.329.0
987.0

5-41
3.40
3.00
4.41
6.41
3-75
3.38
2.30
4.14
1.95

In het jaar 1862 ontstond er een groote crisis in de Russische
suikerindustrie door het besluit van Czaar Alexander II, dat
den 20 September 1862 de boeren uit de lijfeigenschap bevrijdde,
tengevolge waarvan de onbetaalde arbeid, dien de boeren voorheen
 verrichten moesten en die in vele gevallen het bestaan van
de onderneming mogelijk maakte, verviel. Een groot aantal van
de kleine fabriekjes, waarvan drie vierden zonder stoomkracht
werkten, moest het werk opgeven, zoodat er in het jaar 1871
nog slechts 180 ondernemingen bestonden, die evenwel veel beter
waren ingericht en ongeveer evenveel produceerden als destijds
de meer dan 400 kleinere. Het jaar 1871 bracht een zeer slechten
oogst, de suikerprijs steeg en daarmede de lust van de kapitaalkrachtige
 ondernemers om suikerfabrieken te bouwen en van den