een accijns van Rb. 1.75 per poed betaalt. Bovendien wordt
er de hoeveelheid suiker vastgesteld, die als zoogenaamde onaantastbare
 voorraad op de fabrieken moet worden aangehouden
om in geval van schaarschte eveneens op de binnenlandsche
markt te worden gevoerd. Hetzelfde comité stelt ook ieder jaar
Je maximum-prijzen vast, bij overschrijding waarvan die genoemde
 voorraad zal mogen. worden aangetast en de voorwaarden,
 onder welke daarvan op de binnenlandsche markt zal mogen
worden gebracht. °
Wanneer een fabrikant boven zijn contingent in het binnen-‘and
 verkoopt, :dan betaalt hij behalve den accijns van Rb. 1.75
nog eens een extra recht van hetzelfde bedrag, dus Rb. 3.50.
Alle suiker, die uitgevoerd wordt, is vrij van rechten, maar ontvangt
 ook geen premie.
Wanneer de onaantastbare voorraad door verkoop in het binaenland
 verminderd is geworden, dan moet hij in het begin
van de nieuwe campagne onmiddellijk weer worden. aangevuld
en ieder jaar moet overigens de voorraad uit het oude jaar door
aieuwe suiker worden vervangen, zoodat dezelfde suiker niet van
jaar tot jaar in het pakhuis blijft liggen. °
Door deze regeling van hooger hand kon geen fabrikant zich
meer aan de contingenteering onttrekken, en deze was zoo ingecicht,
 dat kleine fabrieken, die tot 60.000 poed suiker per jaar
afleveren, alles in het binnenland mogen verkoopen, terwijl het
percentage, dat den grooteren fabrieken in de contingenteering
“oegewezen wordt, daalt naarmate de productie stijgt, met dien
verstande evenwel, dat de fabrieken toch in gewicht meer
het binnenland mogen verkoopen wanneer zij meer suiker pro-Juceeren.

De wijze, waarop het contingent berekend wordt, kan het best
afgeleid worden uit het voorbeeld van de campagne 1900/01.
In dat jaar was het contingent op 36 millioen poed en de onaantastbare
 voorraad op 3.5 millioen bepaald volgens taxatie van
de vermoedelijk door de consumenten benoodigde hoeveelheid.
De Minister van Financiën ontvangt in het begin van iedere