zampagne van het centraalbureau van dé' suikerfabrieken deé'”bpgaven
 van de met beetwortelen beplante oppervlakte, van den
‘oestand van het gewas, enz. en raamt naar aanleiding daarvan
de vermoedelijke productie. Verder berekent hij hoeveel ‘procent
van de productie boven 60.000 poed iedere fabriek in hét éoningent
 zal mogen bijdragen. De vermoedelijke productie werd
gerekend op 53.369.187 poed met inbegrip van de uit het vorige
jaar overgenomen 2.800.977 poed onaantastbaren en 603.276
poed vrijen voorraad, de werkelijke productie bedroeg 53.408.958,
Tus ongeveer juist als de raming. Het aantal fabrieken bedroeg
274, ieder had recht op 60.000 poed, zoodat er reeds direct
50.000 x 274 = 16.440.000 verdeeld waren en er van de ‘productie
 36.968.958 te verdeelen overbleef op een ‘restant van
het comtingent van 19.560.000 poed, terwijl er '3.5 millioen
poed als onaantastbare -voorraad gereserveerd moest worden.
Deze cijfers verhouden zich ongeveer ls roo”: 52 : 9 en om die
reden werd het aandeel van de fabrieken in het ‘contingent boven
Je 60.000 poed gebracht op 52.9 pCt. van de productie en in
den onaantastbaren voorraad op 9. 5 pCt. De rest of 37.6 pCt.
is dan de vrije voorraad, die uitgevoerd mag worden en dan vrij
an belasting is of in het binnenland mag worden verkocht,
maar dan den dubbelen accijns betaalt.
ledere fabriek deelt dus in het contingent vooreerst voor;
50.000 poed en dan nog in 52.9 pCt. van haar productie boven
60.000 poed, zoodat een fabriek, die 60.000. poed fabriceert, hare
geheele productie inhet binnenland mag verkoopen, een die
t20:000 poed fabriceert 60.000 + seen A 91.740
en een die 200.000 poed fabriceert 60.000 + a
133.060. In dezelfde reden wordt ook ieders aandeel in den:
maantastbaren voorraad vastgesteld.
Wij zien dus dat hoe meer een fabriek produdeert, des te
meer zij op de binnenlandsche. markt mag brengen, al wordt
het percentage op haar totale productie berekend ook minder.