‚2

worden genomen en hoogst enkele malen ook de vrije voorraad
voor de behoefte van het binnenland moest worden aangesproken.

Het stelsel werkte zeer goed, ofschoon er in jaren van zeer
goede oogsten een overproductie ontstond,’ die toen na 1903 de
uitvoer naar de aan de Brusselsche Conventie deelnemende landen
 werd bemoeilijkt, zeer groote voorraden onverkocht deed
blijven, die op de volgende campagne een zeer nadeeligen invloed
uitoefenden.
Doordat het contingent op de voordeelige binnenlandsche markt
voor iedere fabriek toenam naarmate zij meer produceerde, bestond
 er een aandrang om de productie uit te breiden en wanneer
 eene fabriek dit deed, dan waren de anderen uit zelfbehoud
genoodzaakt het voorbeeld te volgen om niet door den verminderden
 percentvoet van de productie een kleiner aandeel in de
verzorging van die markt toegewezen te krijgen. Bovendien bestond
 de bepaling, dat de fabrikanten bij de opgave van hunne
productie het. van den oogst van het vorige jaar onverkocht
geblevene bij dien van het tegenwoordige jaar mochten tellen.
Wanneer dus eene fabriek hare inrichtingen vergrootte en veel
meer suiker boven de gecontingenteerde hoeveelheid produceerde,
welk overschot niet uitgevoerd werd, dan was zij gerechtigd deze
hoeveelheid in het volgende jaar bij de contingentberekening
te laten meetellen en kreeg dus een dubbele vermeerdering van
bet aandeel. Uit de hiervoor opgenomen tabel zien wij hoe het
aantal suikerfabrieken en de met beetwortelen beplante oppervlakte
 toenam, ‘waardoor de totale hoeveelheid geproduceerde suiker
steeg en zoo ver boven de inmiddels ook vermeerderde consumptie
 kwam, dat er een zeer onaangenaam drukkend overschot
 aan het eind van de campagne ontstond.
Ten einde dezen wedloop van de fabrikanten om de productie
te vermeerderen te doen staken, werd er in het jaar 1903 eene
verandering in de berekening van het contingent ingevoerd, die
dan ook het resultaat had, dat de beplante oppervlakte en de
suikerproductie aanmerkelijk werden ingekrompen en de over-