schotten eveneens daalden. In plaats van de productie geheel
vrij te laten, werd er bepaald hoeveel suikér er voor een normale
productie noodig was en deze bestond ‘uit ‘het benoodigde voor
de binnenlandsche consumptie met aanvulling van den onaantastbaren
 voorraad en uit het benobdigde voor den „muttigen’’ uit:
voer naar de natuurlijke Russische markten, n.l. Finland, 'Noord-Perzië,
 Afghanistan en China, voor zoover deze over land geschiedt.
 Elke uitvoer boven die hoeveelheid is met verlies verbonden
 en wordt door de Regeering niet verder in aanmerking
genomen. _…
Voor de eerste campagne 1903/04 werd de normale productie
op 63 millioen poed aangenomen en wel op 45 millioen. voor de
binnenlandsche consumptie, 8 millioen voor den onaantastbaren
voorraad en 10 millioen voor den nuttigen uitvoer, en dit contingent
 werd over de verschillende fabrieken verdeeld naar maté
7an haar productievermogen. ' |
Op vrij ingewikkelde wijze werd voor iedere fabriek op de
Dasis van de producties in de. vroegere jaren berekend. hoeveel
tij zou. kunnen produceeren en het contingent op de vroeger
vermelde wijze over die bedragen omgeslagen. Het principe
ran een minimum contingent werd behouden en zelfs op 80.000
poed: gebracht, zoodat eene. fabriek, die 80.000 poed
suiker produceert, haar. geheele productie op de binnenlandsche
markt mag brengen,
In het meergenoemde jaar 1903/04 bedroeg het op de bovengemelde
 wijze berekende productievermogen 7.517.781 ‚poed,
de geraamde productie 81.071.265 en de werkelijke zelfs
82.971.472; daar het contingent slechts 63 millioen poed be-Jroeg,
 was in dat jaar het percentage van het productievermogen
boven de 80.000 poed, dat de fabrieken in het contingent
mochten deelnemen 72.8 pCt. :
Toen later de productie daalde en het cijfer voor het contingent
steeg, rees ook het percentage, dat in het jaar 1907/08 zelfs tot
28.4 pCt. klom, zoodat nagenoeg de geheele normale productie
le Regeeringsbescherming genoot en alleen de door uitbreiding