A

buitenlandsche suiker en begon Oostenrijk al zeer spoedig suiker
 uit te voeren. Bij dien uitvoer werd de accijns teruggegeven
en wel over het werkelijke gewicht aan uitgevoerde suiker. Ook
hier bleek het weldra, dat naar mate de uitvoer toenam, de restitutie
 zeer snel het geheele accijnsbedrag naderde en het zelfs
în het jaar 1875-76 met 135.556 gulden overschreed. De exporteurs
 ontvingen dus in dat jaar aan vermomde _uitvoerpremie
meer terug dan de geheele binnenlandsche accijns had bedragen,
maar ook in jaren, waarin dit niet zoo duidelijk bleek, was er
een wanverhouding tusschen den ontvangen accijns en de restitutie,
 gelijk uit onderstaande tabel blijkt, waarin de netto bedragen
 vermeld zijn, die de Oostenrijksche schatkist uit de suikerbelasting
 heeft getrokken.
t860— 1864 gemiddeld 7 millioen gulden.
1865— 1869 56
1870— 1874
1875—1879
1880— 1884
1885— 1890 15
Om te zorgen, dat de restitutie niet weder boven het bedrag
van den accijns zou kunnen stijgen en in het algemeen om haar
niet te groot te maken, werd er in 1878 besloten, dat de accijns
ieder jaar een zeker, vooraf vast te stellen bedrag zou moeten
opleveren. Wordt dit niet bereikt, dan zijn de fabrieken verplicht
het deficit aan te vullen pondpondsgewijze met hare productie.
 Lang duurde echter deze maatregel niet, want in het jaar
1888 werd de belasting volgens de getaxeerde hoeveelheid beetwortelen
 afgeschaft en eenvoudig de werkelijk geproduceerde
suiker belast. De suiker werd belast met 117 gulden per 100
K.G. en tegelijkertijd werd een open premie op den uitvoer
gegeven van f1.50 per too K.G. ruwe suiker van 880 polarisatie,
 van fr.60 voor suiker van boven 93° polarisatie en van
f2.30 voor suiker met meer dan 99.50 saccharose-gehalte. In
1896 werd de accijns op f13 en in 1899 op f19 per 100 K.G.
vastgesteld. Om evenwel te zorgen, dat de schatkist bĳ die uit-