voerpremiën niet te kort zou komen, werd het totale premiebe-Jrag
 per jaar op 5 millioen gulden vastgesteld en wanneer er
in een of ander jaar meer aan premie zou zijn betaald, dan moest
het overschot door de suikerfabrieken in het volgende jaar in
verhouding met hare productie worden teruggegeven. Toen
in het jaar 1896 de Duitsche uitvoerpremiën verhoogd werden,
meende men in Oostenrijk ook niet achter te kunnen blijven en
verhoogde het maximum bedrag van de uitvoerpremie tot 9 milioen
 gulden. Het was voor de schatkist een zeer goede maattegel
 geweest, de uitvoerpremie tot een zeker maximum te beerken,
 want de uitvoeren waren in ieder jaar veel hooger dan
met het maximum zou overeenkomen, daar de terugbetalingen
van in de verschillende jaren boven het maximum ontvangen
premie als volgt waren:
1888/89. ef 323114
1889/90. „ 2.838.295
1890/91. 3.765.258
1891/92. 3.677.628
:892/93. 4.140.615
1893/94- 4-699.902
1894/95 ‚ 4.062.734
1895/96. ep 4673934
In de laatste jaren vóór de verhooging van het maximum
ot 9 millioen gulden werd dus ongeveer de helft van de genoten
remie van {5.000.000 + 4.699.902 in 1892-93 genoten weer
in 1893-94 met 4.699.902 terugbetaald, zoodat de inderdaad genoten
 uitvoerpremie per 100 K.G. uitgevoerde suiker aanmer-&lt;elijk
 lager was dan het in het jaar 1888 aangenomen bedrag.
De wetgeving van Oostenrijk maakte het evenwel niet noodig,
dat er juist op den uitvoer zooveel premie zou moeten worden
gegeven, daar de binnenlandsche consumptie genoeg opleverde
om de suikerfabrikatie groote voordeelen te verschaffen. In
Oostenrijk-Hongarije was de invoer van suiker, behalve met het
ceeds genoemde verbruikstecht à f19 of 38 Kr. per 100 K.G.,
nog bovendien belast met 26 Kronen per 100 K.G. suiker van

-