kers, voor de berekening van de belasting werd aangenomen, dat
van 100 K.G. ruwe suiker aan broodsuiker wordt verkregen :
1e klasse 15/18 Hollandsche standaard . . 87 K.G,
2e „ 10/14 „ P 85
3e „7/9 ’ # SI
4e „ beneden 7 » .
Zoo spoedig mogelijk zou door een officieele raffinaderijproef
worden nagegaan hoe hoog inderdaad het industrieele rendement
is om met de verkregen cijfers als basis den aanslag in de .belasting
 zoo dicht mogelijk bij de werkelijkheid te doen komen. In
dier voege zou bij de restitutie van het invoerrecht bij den uitvoer
 van geraffineerd nooit meer teruggegeven kunnen worden
dan inderdaad is betaald, zoodat hiermede alle premie op het
raffineeren afgeschaft zou zĳn geworden. In het jaar 1865
werden de door de Conventie bedoelde proefnemingen met het
raffineeren in eene raffinaderij te Keulen genomen en daartoe
t.600.000 K.G. suiker in 4 partijen van 400.000 K.C. elk verwerkt.
 In 1866 werd het resultaat bekend gemaakt en in datzelfde
 jaar als basis voor de bepaling van het wettelijke minimum
 rendement aangenomen, dat nu als volgt luidde :
Droge witte broodsuiker . . 100 pCt.
Suiker Te klasse No, 15—18 . .
‚ 2e, „ I0—I4.
3e klasse suiker 7/9 . . . .
4e 5, » beneden 7. . 67 ,
Hoe goed het systeem ook bedoeld was, toch bleek het spoedig
 groote fouten te bezitten, die op den duur de goede werking
 in gevaar brachten. Vooreerst is de kleur van de suiker
geen goed kenmerk van haar gehalte en vooral gold dit, wanneer
 Tietsuikers van verschillende afkomst en beetwortelsuiker
met rietsuiker vergeleken worden. In een memorie van de Kamer
 van Koophandel te Hamburg van 1868 wordt o.a. aangegeven,
 dat bij eenzelfde kleur van suiker, nl. No. 12, de polarisaties
 van verschillende suikers als volgt uiteenliepen :
Java en Cuba 93, 94.5, 95, 95.5, 96 pCt.

6