1

De suikerwetgeving in Italië onderscheidt 2 soorten suiker,
die van klasse I boven No. 20 Hollandschen standaard en klasse
IE beneden No. 20, en men hief tot 1911 een invoerrecht van
99 en 88 Lire goud respectievelijk van eerste en tweede klasse
suiker.
Van de in het land zelf geproduceerde suiker werd een
accijns geheven van respectievelijk 70.1 5 en 67.20 Lire papier
per 100’ K.G. suiker en als basis van de berekening werd het
volume en de densiteit van het sap aangenomen, waarbij men
rekende, dat iedere H.L. diffusiesap per graad een hoeveelheid
 van 2000 Gram suiker zou opleveren.
In de jaren van den opbloei van de suikerindustrie was in
Italië het agio tusschen goud en papier vrij belangrijk, zoodat de
fabrikanten een driedubbele bescherming genoten, vooreerst
door de accijnsvrije overponden tengevolge van een te lagen aanslag,
 ten tweede door de nominale surtaxe en ten derde door het
goud-agio, zoodat het niet te verwonderen is, dat de industrie
sterk uitbreidde. Later, toen de financiën van het TItaliaansche
Koninkrijk in een meer gunstigen toestand kwamen, verdween
het agio en daardoor ging dat gunstige verschil verloren, maar
de beide andere redenen bleven bestaan en gaven den Italiaanschen
 producent een grooten voorsprong boven den buitenlandschen
 importeur.
Het zeer hooge invoerrecht en de hooge accijns maakten den
Prijs van suiker hoog en verhinderden een sterke uitbreiding
van de consumptie, die nu ongeveer 4 K.G. per hoofd en per
jaar bedraagt. Ten einde die te vermeerderen, stelde de Re
geering in 1909 voor de surtaxe langzamerhand te doen verminderen,
 en wel volgens deze schaal:
Tegenwoordige surtaxe. Lire. Te Lie
ve 2885 20 18 IS
20.80 16 14.75  I2

I klasse . .
U klasse

De suikerfabrikanten verzetten zich hevig tegen deze verla
ging en beweerden, dat zij in de concurrentie met hunne Oos.