geen sprake van was, dat Zweden suiker zou kunnen exporteecen,
 ook al wanneer de binnenlandsche consumptie een overschot
 zou overlaten.
De suikerindustrie in Zweden genoot dus eene goede bescherning,
 doordat vooreerst het invoerrecht het dubbele bedroeg
an den nominalen accijns en dus reeds een mooie surtaxe gaf,
en bovendien slaagde men er in beetwortelen van zoo hoog geaalte
 en rendement te telen, dat de werkelijke opbrengst steeds,
9ok na de verhooging tot 12 pCt., een goed eind boven de wetelke
 bleef en dus een accijnsvrij excedent gaf.
De suikerindustrieelen vereenigden zich tot ééne. groote maatschappij,
 die de productie en de distributie regelde en uit de
surtaxe en het excedent ten koste van de binnenlandsche consumenten
 de meeste voordeelen trok.
Ten einde deze voordeelen te verminderen, werd in 1906
de accijns van suiker verlaagd tot 13 kronen per too K.G.
voor ruwe en 16 kronen voor geraffineerde suiker, terwijl het
invoerrecht op 113 en 17 kronen voor deze kwaliteiten werd
vastgesteld. Tevens werd de accijns niet meer geheven op den
maatstaf van het gewicht aan beetwortelen en een vast rendement,
 maar van het gewicht aan werkelijk geproduceerde suiker.
 Later werd nog besloten het invoerrecht een weinig te verminderen
 in dier voege, dat het invoerrecht van witte suiker op
14 kronen per 100 K.G. zal gebracht worden en de verbruikselasting
 zoowel van eigen als van vreemde suiker in 1908-1910
5 kronen zal bedragen, in 1911 154 en in. 1gr2 16 kronen per
too K.G. suiker van iedere descriptie. Deze bepaling is nog
steeds in strijd met de voorschriften van de Brusselsche Conventie,
 waartoe dit rijk reeds van den aanvang af was toegetreden,
 maar daar Zweden nog geen suiker uitvoert, behoeft deze
regeling niet veranderd te worden. Zweden kan dus geen suiker
aar buiten uitvoeren en om die reden heeft dan ook de Zweedsche
 suikermaatschappij, om prijsdaling door overproductie te
voorkomen, voor den oogst 1911-12 de met beetwortelen beplante
 oppervlakte met 20 pCt. ingekrompen, zoodat in het