<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<TEI xmlns="http://www.tei-c.org/ns/1.0">
  <teiHeader>
    <fileDesc>
      <titleStmt>
        <title>Geschiedenis van de wetgeving op de beetwortelsuiker in de verschillende productienlanden in Europa en haar invloed op de suikerproductie en Consumptie</title>
        <author>
          <persName>
            <forname>Hendrik C.</forname>
            <surname>Prinsen Geerligs</surname>
          </persName>
        </author>
      </titleStmt>
      <publicationStmt />
      <sourceDesc>
        <bibl>
          <msIdentifier>
            <idno>1966924755</idno>
          </msIdentifier>
        </bibl>
      </sourceDesc>
    </fileDesc>
  </teiHeader>
  <text>
    <body>
      <div>
        <pb n="1" />
        IbT4T
        <pb n="2" />
        z'er recerisis

(peers van de Wetgeving op de
beetwortelsuiker in de verschillende
Productielanden in Europa en haar invloed
op de Suikerproductie en Consumptie

DOOR

” s HM. C. PRINSEN GEERLIGS. =

.  Overgedrukt uit
De Indische Mercuur?

AMSTERDAM — J.H. DE BUSSY — 1911.

Weltwirtschafiiiches Archiv
        <pb n="3" />
        TT ma REET SN
ode Tet Gij men
A DD it

(eer van de Wetgeving op de
beetwortelsuiker in de verschillende
Productielanden in Europa en haar invloed

op de Suikerproductie en Consumptie
DOOR

» ’ ff. C. PRINSEN GEERLIGS. = =

:  Overgedrukt uit
„De Indische Mercuur’,

AMSTERDAM — J.H. DE BUSSY — 1911.

Weltwirtschefilickes Archiv
        <pb n="4" />
        ù f
ak
De .
a
in
a
-
LC
Wi

ie
‘je

_
        <pb n="5" />
        VOORWOORD.

Met het oog op de te verwachten wijzigingen, die in de
Brusselsche Conventie zullen worden aangebracht, kwam het mij
gewenscht voor de gevolgen die de wetgeving op de suiker in de
verschillende Europeesche landen op de productie en consumptie van
de beetwortelsuiker heeft gehad, in een klein bestek samen te vatten.
Bij de beoordeeling van de raagstuiten, die eerlang onze
aandacht zullen trekken, kan zulk eene tezamenvatting wellicht
van nut zijn.

f, CS. PRINSEN GEERLIGS.

AMSTERDAM, 30 November To.
        <pb n="6" />
        0)
m

9

95
Do,
A

e)]
(JJ

9
Pd

&amp;amp;
oo &amp;lt;&amp;lt;
mm -

©Q
®)

n-—
&amp;lt;T

_
MM

m-(3


FRANKRIJK.

—
©

n
—_

©”)
p=De

 Fransche beetwortelsuikerindustrie, die in dit jaar deu
honderdsten verjaardag herdenkt van het tĳjdstip, waarop
engevolge van de decreten van Napoleon in alle depariementen
 van het Keizerrijk beetwortelsuikerfabrieken moesten
 worden opgericht, ging wederom bijna geheel te niet,
oen na de opheffing van het Continentale Stelsel de
rietsuiker weder tot lagen prijs gekocht kon worden. Deze
industrie, die door de bescherming en ondersteuning van
verschillende regeeringen een snelle opkomst had gekregen en
die zich door den ijver en de toewijding van vele fabrikanten
en onderzoekers ontwikkeld had, zou echter door de verandeing,
 welke de val van Napoleon teweegbracht, niet geheel te
niet gaan. Integendeel, men had ingezien, dat, hoewel het meerendeel
 van de fabrieken onmogelijk goede resultaten had kunnen
opleveren, er andere waren, waar de verwerking van beetwortelen
zeer goed met voordeel mogelijk was, ook daar, waar de suiker
ait Amerika vrij kon binnenkomen. Onder den invloed van de
nevelen van Napoleon had men in het geheele land beetwortelen
aangeplant en in allerijl machinerieën opgesteld en was mel
groote haast, zonder kennis of ondervinding aan het werk ge
gaan en zelfs had: men getracht suiker te fabriceeren in tijden,
waarop de beetwortelen reeds geheel bedorven waren. Het noodzakelijke
 gevolg was, dat de meeste fabrieken òf in het geheel
geen, òf zulke slechte suiker afleverden, dat eene finantiëele
mislukking daarvan het ‘gevolg was en dat over het algemeen
na het jaar T8T4 een groot wantrouwen in de beetwortelsuiker

á

ES

0)
3

°

xl

G

2

—

o

_

oo

»]
DL

F9]

U)
an)

ON
„&amp;gt;

N
1

kh,

_

NM
.3

T

TT
        <pb n="7" />
        fabrikatie ontstond. De Directeur-Generaal van Handel en Nijverheid
 in Frankrijk, Chaptal, bleef evenwel de aandacht van
de prefecten op deze industrie vestigen, terwijl de scheikundige
de Dombasle te Naricy een werk uitgaf, waarin hij duidelijke
voorschriften voor eene rationeele verwerking van beetwortelen
opstelde, hetgeen maakte, dat de zaak de aandacht bleef bezig
houden. In het jaar 1815 bestonden er van de 334 fabrieken,
die op bevel van het decreet van 1811 op Franschen bodem waren
 verrezen, nog ongeveer 100 en gemiddeld leverde dat land
in de jaren tusschen 1816 en 1821 1000 ton beetwortelsuiker
per jaar op.
Deze industrie genoot een grooten steun, doordat de invoer
 van suiker uit het buitenland zwaar was belast, terwijl de
inheemsche suiker geen rechten behoefde te betalen. In het
jaar 1816 moest ruwe suiker uit de Fransche Koloniën 49.5
francs per too K.G. invoerrecht betalen en witte suiker 70
francs, terwijl suiker van anderen oorsprong go francs betaal-Je,
 welk bedrag in 1819 op 125 francs werd gebracht. Later
verhoogde men de surtaxe op vreemde suiker nog meer, terwijl
er van suiker, die met andere dan Fransche schepen aangevoerd
werd, ook nog eene extra belasting verschuldigd was. Daar,
niettegenstaande deze differentiëele rechten, de Fransche Kkolonisten
 nog klaagden, werd de raffinage van Fransche koloniale
 suiker in Frankrijk met bestemming van het product naar
het buitenland mogelijk gemaakt, doordat er van raffinade bij
uitvoer iz0 francs per 100 K.G. invoerrecht gerestitueerd werd.
Deze restitutie werd eveneens toegestaan voor uitgevoerde inheemsche
 suiker, die in het geheel geen recht had betaald, zoodat
 daardoor Frankrijk een uitvoerpremie van 120 francs per
1oo K.G. beetwortelsuiker betaalde. Het laat zich hooren,
dat dientengevolge de oprichting en uitbreiding van de suikerfabrieken
 niet op zich liet wachten, zoodat reeds in 1836
ongeveer één derde van de in Frankrijk geraffineerde suiker uit
beetwortelsuiker bestond. Het uitbetalen van de premie werd
voor de schatkist hoe langer hoe bezwarender en daarom werd
        <pb n="8" />
        in het jaar 1837 de inheemsche suiker met een accijns belast,
die eerst lager was dan bet invoerrecht op de koloniale suiker,
maar reeds in 1843 werd een wet aangenomen, waarbij langzamerhand
 beide suikers met elkander gelijk werden gesteld,
hetgeen in 1847 volkomen tot stand kwam.
In het jaar 1860 bedroeg het recht op ruwe suiker 54
‘rancs 1) per 100 K.G. en werd toen verlaagd tot 30 fÍrcs., zoodat
 de accijns met 24 fÍrcs. per zoo K.G. voor ruwe suiker
Jaalde, equivalent met 28.08 frcs. voor geraffineerd. De schat
kist kon evenwel het groote gemis aan inkomsten, dat door de
verlaging van de rechten werd teweeggebracht, niet dragen en
daarom werd reeds in 1862 het recht op 42 frcs. gebracht,
zoodat er slechts eene vermindering van fÍrcs. 12 verkregen
werd. Evenwel daalde juist in dien tĳd de prijs van de suiker
zeer belangrijk en wel, zonder het recht mee te rekenen, van
93 fÎrcs. in 1859 tot 61 frcs. in 1861, zoodat de totale prijsvermindering
 32 + 12 = 44 fres. per 100 K.G. bedroeg. De
uitwerking van deze buitengewoon groote prijsdaling was, dat
de consumptie, die vóór dezen 135.000 ton bedragen had, in
het jaar 1863 tot 253.000 ton gestegen was, dus bij een prijsvermindering
 van 93+54=147 fÎrcs. tot 61+42=103 fÍrcs. of
30 pCt. gestegen met een hoeveelheid van 36 pCt. in drie jaren
tijds. Hoewel in het daaropvolgende jaar de prijs van de suiker
 weder aanmerkelijk steeg en er tijdelijk eene vermindering
van de consumptie geconstateerd werd, bleef, zoolang de accijns
niet verhoogd werd, het suikerverbruik stijgen, zoodra de prijs
van het artikel weer op zijn normale hoogte gekomen was. De
vermeerdering van het gebruik was zoowel toe te schrijven aan
den aanwas van de bevolking, als van de meerdere welvaart en
de koopkracht van de ingezetenen, daar per hoofd ‘het gebruik
van suiker van het jaar 1863 tot 1869 van gemiddeld 6.7 K.G.
tot 7.3 K.G. toegenomen is. Na 1870 werd de accijns met horten

Y Vele van de nu volgende gegevens voor de Fransche consumptie zijn
ontleend aan Albert Delatour: Les variations de la consommation des
produits taxés.
        <pb n="9" />
        en stooten tot 65.52 frcs. per 100 K.G. verhoogd, hetgeen op de
stabiliteit van de markt en op het suikerverbruik een zeer nadeeligen
 invloed uitoefende. Doordat er gestadig verhooging van de
rechten in uitzicht werd gesteld en even dikwijls de hoop gekoesterd
 werd, dat men de belasting zou verminderen, kochten de
kooplieden nu eens met groote voortvarendheid in om op andere
 oogenblikken hunne inkoopen tot de geringst mogelijke
hoeveelheid te beperken om niet met grooten, tegen hoogen
prijs gekochten voorraad suiker te blijven zitten, wanneer het
recht verminderd zou worden. Toen in het jaar 1875 de opdrijving
 van de rechten tot een eind was gekomen, kon men den
toestand goed overzien en toen bleek het, dat de accijns van
42 tot 65,52 fÍrcs. voor de ruwe suiker was gestegen, dus met
55 pCt., hetgeen een stijging van den totalen suikerprijs met
24 pCt. had veroorzaakt. Het cijfer van de consumptie per
hoofd was gedurende al die jaren hetzelfde gebleven, nl. 7.3
K.G., hetgeen, het verlies aan inwonersgetal door het afstaan
van Elzas en Lotharingen in aanmerking nemende, met een totaal
van 264.000 ton overeenkwam. In plaats van de gestadige vermeerdering
 van het suikerverbruik, dat in de jaren voor 1870 was
geconstateerd, moest men nu ontwaren, dat het stationnair gebleven
 was, waartoe, behalve de minder gunstige toestanden na
den oorlog, ook de verhoogde accijns bijgedragen zal hebben.
In 1880 werd de accijns tot 40 francs per 100 K.G. geraffineerde
 suiker verlaagd en tevens daalde toen ook de wereldprijs
van dit artikel, zoodat de prijs, met inbegrip van rechten, van
41 res. in 1879 in 1883 tot 103 daalde of met 27 pCt. in
vier jaren. In denzelfden tĳd nam het gebruik met niet minder
 dan met 38 pCt. toe, maar toen gebeurde er iets, dat aan
de tot nog toe gevolgde wijze van accijnsheffing een einde zou
maken en zoowel Frankrijk als de andere Europeesche staten
in een zonderlingen toestand van verwarring op suikerwetgevend
gebied ‘bracht, dat eerst in 1903 tot een goed einde is gekonen.


Sedert de eerste jaren van de tweede helft van de vorige
        <pb n="10" />
        eeuw had Frankrijk een aanzienlijken uitvoer van suiker aan te
wijzen gehad, waartegenover wel is waar een import van eigen
en vreemde koloniale suiker stond, die de Parijsche raffinaderijen
 van grondstof voor de bekende Parijsche brooden voorzag,
maar er bleef toch een aanzienlijk surplus van uitvoer over, totdat
 dit in de eerste jaren na 1880 voor een tekort plaats maak:
te, dat spoedig het cijfer van het vroegere surplus verre overtrof.
 Door het geringe verschil tusschen accijns en invoerrecht
(de surtaxe) werd het zelfs mogelijk om met voordeel Duitsche
suiker in Frankrijk te importeeren. Bij een eigen productie in
1883-34 van 474.000 ton en een invoer van eigen’ koloniale
suiker van 76.000 ton, werd er niet minder dan 125.000 ton
uit het buitenland lngevoerd, terwijl -de consumptie slechts
ruim 400.000 ton bedroeg. Van die 125.000 ton kwamen er
47.000 op Duitsche en 15.000 op Oostenrijksche suiker en voornamelijk
 die invasie van eerstgenoemde, vergezeld van de plotselinge
 prijsdaling, bracht in Frankrijk de gemoederen, die nog
niet van de in 1870 toegebrachte slagen bekomen waren, in
hevige beweging. Onmiddellijk werd de surtaxe verhoogd om
een verder binnenstroomen van vreemde suiker onmogelijk te
maken, maar daar dit den Franschen fabrikanten niet genoeg
was en zij hun uitvoer terug wilden veroveren, werden in Frankrijk
 vermomde uitvoerpremiën ingesteld.
Er werd bij den grondslag voor de belasting een rendement
aangenomen aan suiker, die uit de beetwortelen te krijgen zou
zijn en waarover de verschuldigde belasting werd berekend. Wat
men er meer uit kreeg was oorspronkelijk vrij, maar werd later,
 toen de schatkist er al te veel bij te kort kwam, laag belast.
 Het was dus voor de fabrikanten een groot voordeel, wanneer
 zij beetwortelen met hoog gehalte en hooge zuiverheid teelden
 en verwerkten om op deze wijze veel suiker boven het rendement
 te winnen, die dan, hetzij geheel vrij of uiterst laag
belast was en bij uitvoer toch de volle restitutie erlangde, alsof
werkelijk die suiker het geheele recht betaald had. Het rendement
 van suiker uit beetwortelen nam zeer snel toe, zoowel
        <pb n="11" />
        loor de verbetering in het gehalte van de grondstof als door
Je geperfectioneerde fabrikatiemethoden en het is niet te verwonderen
 dat de nieuwe wetgeving althans dat succes had, dat
Je Fransche suikeruitvoer onmiddellijk weer heroverd werd en
lat land weer als groot suikerexporteur vermeld kon worden.
Het is niet doenlijk met eenige juistheid aan te geven hoe
groot in dien tijd inderdaad de suikeraccijns was. In naam was
nij 64 frs. per 100 kilo witte suiker, dus hooger dan te voren,
 maar.inderdaad was het bedrag veel minder. Er werd zooveel
 meer suiker uit de grondstof verkregen, dan waarvoor de
belasting betaald werd, dat de fabrikanten zeer goed de suiker
onder den prijs konden verkoopen, dien zij voor de eigenlijke productie
 van deze waar hadden uitgegeven en door concurrentie
gedreven, geschiedde dit ook werkelijk. Daar de grootte van
het ‘belastbare rendement bij verschillende wetswijzigingen veranderd
 werd en natuurlijker wijze het vrije of laag belaste
axcedent ieder jaar sterk afwisselde, naar gelang van de hoeveelheid
 en het gehalte en de kwaliteit van de ter verwerking
komende beetwortelen, is het onmogelijk eenig peil te trekken
op het bedrag van de werkelijk voor de geconsumeerde suiker
vetaalde rechten.
De Brusselsche Conventie van 5 Maart 1902, die met I
September 1903 van kracht werd, maakte aan dezen toestand
een einde, doordat tengevolge van de daarin opgenomen bepaingen
 de grondslag van de belastingheffing uitsluitend de ge
produceerde ruwe of witte suiker zou zijn en dus alle vermomde
premiën geheel moesten vervallen, terwij de open premiën evenzens
 werden afgeschaft.
Het was te voorzien, dat de afschaffing van de premiën voor
Frankrijk het gevolg zou hebben, dat de uitvoerhandel in suiker
 een groot deel van het verkregen terrein zou verliezen en
ten einde in plaats daarvan het binnenlandsche afzetgebied te
verruimen besloot de Regeering tot een zeer groote accijnsvermindering
 van de suiker. Zij was daartoe in staat gesteld, door-Jat
 zij nu het voor de betaling van uitvoerpremiën benoodigd
        <pb n="12" />
        geweest zijnde geld in kas kon houden en verder doordat nu
de accijns over alle werkelijk geconsumeerde suiker werd betaald
 en niet meer over het zooveel mindere wettelijke rendement
 uit de grondstof. Op 27 Januari 1903 werd dan ook de accijns
 van 64 francs tot 27 francs per 100 K.G. teruggebracht,
hetgeen een verlaging van 40 pCt. in den door den Kleinhandel
berekenden prijs voor geraffineerde suiker uitmaakte. De
Fransche Minister van Financiën, Rouvier, voorspelde ten gevolge
 van deze vermindering in prijs een toeneming van de
consumptie met zo pCt., maar de uitkomst overtrof deze schatting
 zeer aanmerkelijk. Er waren zelfs in het eerste jaar enkelen,
 die van eene stijging van de consumptie met 89 pCt. spraken,
 daar er volgens de statistieken van den accijns in ‚1903-04
699.030 ton suiker veraccijnsd waren tegen 371.II9 in 1902-03.
Dit groote verschil was echter daaraan toe te schrijven, dat de
fabrikanten en ‘kooplieden vóór den datum van 1 September
1903 wisten, ‘dat de accijns verlaagd zoude worden en dus in
het jaar 1902-03 zooveel mogelijk suiker in entrepôt hielden en
die eerst na 1 September 1903 ter veraccijnsing aangaven. Hier.
door werd in ‘de laatste maanden van 1903 veel suiker in consumptie
 gebracht, die in normale jaren reeds vóór dien datum
in de statistieken zou verschenen zijn.
Het jaar 1904-05 was eveneens abnormaal, omdat tengevolge
van eene groote droogte de Europeesche suikeroogst met
t.200.000 tons verminderd was en de hooge suikerprijs zijn invloed
 op de consumptie deed gevoelen. Daarna ziet men een
gestadige stijging in het verbruik aan suiker, dat in 1909 reeds
38 pCt. boven het gemiddelde van de drie laatste jaren vóór
het sluiten van de Conventie heeft bedragen.
1900/01 .…..... 438.541 1906/07 ....... 374.803
1901/02... 431.992 1907/08 ....... 584.640
1902/03... 371.119 1908/09 ....... 604.335
1903/04....... 699.030 1909/10. .….... 606.261
1904/05 .…..... 542.314 19I0/Ii ....... 688.261
1905/06 ....... 583.549
        <pb n="13" />
        Het aan accijns ontvangen bedrag, dat vóór de verlaging in
1903 gemiddeld 168.103.000 francs groot was, is, na om de
reeds hooger gemelde redenen eerst in 1903-04 te zĳn gestegen
en in 1904-05 sterk te zijn gedaald, eerst aanmerkelijk lager
gebleven dan voorheen, doch tengevolge van de vermeerderde
consumptie stijgt het ieder jaar, om nu in 1gro het cijfer van
156.256.000 te hebben bereikt.
De cijfers voor de enkele jaren zijn als volgt:
1902/03..... 143.652.000 frs. 1907/08... 160.156.000 frs.
1903/04..... I176.104.000 1908/09..... 162.476,000
1904/05... 138.305.000 , 1909/10..... 161.755.000 ,
1905/06... 147.577.000 1910/II..... 182.234.000
1906/07. .... I52.579.000

Men is met. het behaalde succes evenwel nog niet tevreden
en wil den accijns nog verder door dalen om het suikerverbruik
 nog meer te doen toenemen. In den afgeloopen zomer werd
een wetsvoorstel aangekondigd om den accijns tot 15 Írancs terug
te brengen en men is ervan verzekerd, dat de daardoor veroor
zaakte derving van inkomsten zeer spoedig weer door de vermeer.
derde consumptie goed gemaakt zal worden. De Fransche suikerindustrie
 beleeft geen gouden dagen. Zij was in de jaren na 1884
door Gouvernementshulp in staat gesteld om met voordeel suiker
 vcor den uitvoer te produceeren, zoodat het land boven eigen
behoefte suiker voortbracht en die verzond. Na de Brusselsche
Conventie is de uitvoer van Fransche suiker gestadig achteruitgegaan
 en heeft nu bijna geheel opgehouden, zoodat de industrie
 voornamelijk op de eigen markt is aangewezen.
De cijfers van den uitvoer zijn als volgt:
1900/01 .…….... 688.145 ton. 1906/07 ...... 314.008 ton,
1901/02 .… ... 482.670 1907/08 ...... 281.289 ,
1902/03 ...... 210.647 1903/09 ...... 215.636 ,
1903/04 ...... 237.816 1909/10 ...... 235.920
1904/05 ...... 240.312 1910/11 ….... 146.342
1905/06 ...... 366.601

„
»
        <pb n="14" />
        Wanneer de consumptie niet toeneemt, kan ook de industrie
 zich miet uitbreiden en waar alle buren tengevolge
 van de Brusselsche Conventie in beteren toestand
gekomen zĳn, is de Fransche industrie niet alleen niet
vooruitgegaan, maar zelfs een weinig achteruitgekomen. Waar
au de Regeering de Conventie heeft aangenomen, zoo verwachren
 vele Fransche fabrikanten ook van diezelfde Regeering hulp
om de binnenlandsche consumptie uit te breiden. De verschil-‘ende
 in de laatste jaren gedane voorstellen om den accijns tot
[5 francs te verlagen en verder om toe te staan, dat suiker vrij
van accijns gebruikt zal mogen worden om tot alcohol te worden
 verwerkt of om in een hoeveelheid van 5 pCt. in het brood
te worden gebakken, zĳn de uitvloeisels daarvan.
De prijs van alcohol wordt door de accijnsregelingen op het
gedistilleerd zoo hoog, dat het voordeelig zou zĳn witte suiker
te doen vergisten en te distilleren, wanneer deze VIĳ van acciĳns
 mocht worden verwerkt, en hoe zonderling dit ook uit een
Jogpunt van economische techniek zou luiden, is er een verzoek
aan de regeering gericht om dat toe te staan, waardoor dan de
lcoholprijs zoodanig zou dalen, dat de branders niet meer den
suikerfabrikanten de beetwortelen voor den neus zouden wegalen
 en tevens de prijs van suiker eene verbetering zou ondergaan.
 Door het legerbestuur zijn proeven genomen om in het
voor de soldaten bestemde brood een deel van het meel door
suiker te vervangen, welke proeven volgens de berichten goed voldaan
 hebben. Wanneer nu de bakkers vrijdom van accijns zouden
krijgen van de suiker, die zij in het brood bakken, dan zou met
net.0og op het groote broodverbruik in Frankrijk de consumptie
van suiker zoodanig stijgen, dat de suikerindustrie zich weder
krachtig zou kunnen uitbreiden om aan de vermeerderde vraag
te voldoen, terwijl de aangevraagde vermindering van den accijns
op voor andere doeleinden bestemde suiker met frcs. TO per
100 RK.G. evenzeer een zeer aanmerkelijke uitbreiding van het
vebruik tengevolge zal hebben,
        <pb n="15" />
        De suikerproductie van Frankrijk is sedert het jaar 1883/84
als volgt geweest:
Campagne.

Werkende Productie als Van 100
fabrieken. witte suiker berekend. beetwortelen

1883/84.
[834/85. …….
(8385/86...
1886/87...
1887/88...
1888/89...
1889/90. .....
1890/91...
1891/92...
1892/93...
1893/94...
1894/95...
1895/96...
1896/97...
1897/98...
1898/99...
1899/1900...
1900/01...
1901/02...
1902/03...
1903/04...
1904/05. .....
1905/06...
1906/07...
1907/08......
1908/09...
1909/10......
i9To/t......

483
449
413
391
375
380
373
377
368
368
370
367
356
358
344
344
399
334
332
319
292
270
292
273
255
251
244
239

406.007
272.962
265.084
434-043
344-744
412.523
699-365
615.242
577.821
523.316
514.788
704-454
593-646
668.545
730.067
737-302
869.200
1.040.294
1.051.930
776.118
727.267
562.736
984.671
682.851
656.832
723.081
733.301
650.493

5,55
5:99
7:83
8.86

9:53
9,77
[0,47
9,46
10,26
9,56
9,80
9,87
10,97
9,88
11,40
12,08
11,75
11,93
11,25
12,38
11,18
12,05
11,70
12,47
11,93
12,15
11,75
11,87
        <pb n="16" />
        DUITSCHLAND.

Nadat door de bescherming van Koning Friedrich Wilhelm
van Pruisen de beetwortelsuikerfabrikatie op groote schaal mogelijk
 was geworden, bestond er omstreeks het jaar 1813 in
Duitschland een veelbelovende suikerindustrie, die spoedig na
de intrekking van het Continentale Stelsel weer verminderde,
doch geenszins te niet ging. Omstreeks het jaar 1830 werd de
industrie door de in de kultuur van de beetwortelen en in de
fabrikatie aangebrachte verbeteringen meer en meer levensvatbaar,
 waartoe de omstandigheid krachtig medewerkte, dat er
van buitensland aangebrachte suiker een invoerrecht van 54
Mark per too K.G. tuwe en 60 Mk. van witte suiker geheven
werd, terwijl de binnensland geproduceerde suiker vrij van rechten
 was. 1) Bij uitvoer van uit ingevoerde rietsuiker bereide
kandij werd een restitutie van 36 Mark per 100 K.G. verleend.
In het jaar 1839 waren er dan ook reeds 152 suikerfabrieken
in Duitschland werkzaam, die te zamen 220.282 ton ‘beetwortelen
 verwerkten en daaruit 12.660 ton suiker of 5.75 pCt. bereidden,
 tevens werd er 3.80 pCt. melasse geproduceerd.
In het jaar 1840 werd er eene belasting op de verwerkte beetwortelen
 gelegd van 5 pfennige per 100 K.G. en daar in dat
jaar het rendement 5.88 bedroeg stond dit gelijk met een accijús
 op de suiker van 85 pf. per 100 K.G., terwijl het invoerrecht
 op c4 Mark per 100 K.G. ruwe suiker bestaan Dleef. In

(2 Verschillende van de hier aangehaalde cijfers zijn ontleend aan Ernst
Glanz, Die Statistik des Zuckers in Deutschen Reich.
Arrilheft 1911, Z. d. V.d. D. Z. S.
        <pb n="17" />
        t841 werd de belasting op de beetwortelen reeds op Io pf. ge:
„racht, in 1843 op 30 pf., in 1851 op 6o pf. en in 1854 op
tz0 pf. en in 1859 op 150 pf. Daar de rendementen in diezelfde
jaren respectievelijk 6.13 pCt., 6.58 pCt., 7.25 pCt., 8.zo pCt.
en 8.47 pCt. bedroegen, zoo staat dat gelijk met een accijns van
respectievelijk 1.63, 4.54, 8.28, I4.64 en 17.70 Mark per 100
K.G. Het invoerrecht op ruwe suiker werd in 1842 op 48 en
in 1862 op 36 Mark gesteld, terwijl dat op geraffineerde suiker
tot het jaar 1862 op 60 Mark bleef gehandhaafd en daarna tot
44 Mark per 100 K.G. werd verlaagd. Dit groote verschil in
rechten was dan ook oorzaak, dat er in het geheel geen geraffineerde
 suiker werd ingevoerd en dat de invoer van Tietsuiker,
die in 1840 nog 50.824 ton en in 1845 zelfs nog 70.692 ton had
bedragen, hoe langer hoe minder werd en in het jaar 1869 nog
slechts z.965 ton groot was. In datzelfde jaar 1869 werkten er
in Duitschland 296 suikerfabrieken, die te zamen 2.497.683 ton
heetwortelen verwerkten, en daaruit 208.140 ton suiker wonnen
of 8.33 pCt. Van die verkregen suiker werd 25.485 ton uitgevoerd,
 waarbij de betaalde accijns werd teruggegeven. Die Testitutie,
 welke in het jaar 1862 op 16.50 Mark per 100. K.G.
was vastgesteld, was in het jaar 1865 op 17.zo gebracht en in
870 zelfs tot 18.80 Mark verhoogd. In het jaar 1862 bedroeg
aet rendement, dat uit de beetwortelen verkregen was, 7.94 pCt.
en de accijns op de beetwortelen 1.50 Mark per 100 K.G.,
zoodat de suiker met 18.90 Mark per 100 K.G. belast was en
men bij uitvoer derhalve niet den vollen accijns terugkreeg. In
:865 was het rendement 8.20 pCt. en de accijns 1.50 Mark per
too K.G. beetwortelen, of 18.30 M. per 100 K.G. suiker, terwijl
de restitutie bij uitvoer 17.20 Mark bedroeg, maar in 1870, toen
iet rendement 8.40 pCt. bedroeg en de accijns op de beetwortelen
 op 1.60 M. was gebracht, kwam er een goede verhouding
tusschen geheven accijns en restitutie tot stand, daar de eerste
19.09 M. bedroeg en de laatste 18.80. ‘Hierbij is de melasse
geheel buiten rekening gelaten, zoodat deze in de hier gegeven
beschouwingen als accijnsvrij is aangenomen.
        <pb n="18" />
        7

Deze toestand van rust bleef geruimen tĳd voortduren. De
beetwortelen betaalden Mk. 1.60 per 100 K.G., het rendement
bleef tusschen 8.13 en 8.60 schommelen, hetgeen met een ac:
cjns van 19.68 tot 18.56 Mark per 100 K.G. suiker overeenkwam,
 bij uitvoer werd er Mk. 18.80 voor ruwe en Mk. 23
voor geraffineerde suiker vergoed, de invoer van suiker nam gestadig
 af; de productie en de consumptie in het land daarentegen
gestadig toe, maar de eerstgenoemde in een eenigszins sneller
tempo dan de laatste, zoodat er meer en meer suiker voor den
uitvoer beschikbaar kwam.
In de jaren na 1878 steeg deze zeer snel, terwijl het rendement
 aan suiker uit de beetwortelen eveneens met rassche schreden
 toenam, waardoor de per 100 K.G. suiker betaalde accijns
daalde, maar de restitutie bij uitvoer voor datzelfde bedrag dezelfde
 bleef. Hoe meer dus van de geproduceerde suiker uitgevoerd
 werd, des te ongunstiger werd de toestand voor de schatkist,
 die meer en meer moest uitgeven, wat niet ten volle was
binnengekomen. Het volgende staatje geeft voor de jaren 1875-76
tot 1887-88 de productie, den uitvoer, het rendement, het daaruit
 berekende bedrag van den betaalden accijns en het bij uitvoer
 teruggegeven restitutie bedroeg aan: (zie tabel biz. 18)
Het gevolg van deze wanverhouding tusschen werkelijk betaalden
 accijns en bij den suikeruitvoer teruggegevenen was, dat
de schatkist hoe langer hoe minder profijt van de rechten op
suiker genoot. Vroeger had de invoer van suiker, die 54 Mark
per Ioo K.G. ruwe en 60 Mark per 100 K.G. witte suiker betaalde,
 nog vrij veel opgebracht, maar aan den eenen kant was
de hoeveelheid ingevoerde suiker sterk verminderd en aan den
anderen kant was het invoerrecht op 24 Mark per 100 K.G. ruwe
en 30 Mark per too K.G. witte suiker teruggebracht, zoodat
deze belasting bijna niets meer opleverde. Hoewel het suikerverbruik
 sterk toenam en van 2.56 K.G. per hoofd van de bevolking
 gemiddeld in de jaren 1840-45 in 1870-75 gemiddeld tot
6.30 K.G. was gestegen en iedere binnenlandsche verbruiker
het volle accijnsbedrag had betaald, ging er door de hooge res
        <pb n="19" />
        JAAR.

1875/76
1876/77
1877/78
1878/79
1879/80
1880/81
1881/82
1832/83
1883/84
1884/85
1885/86
1886/87
1887/88

Productie
tonnen. |!

358.048
289.423
378.009
426.155
409.415
555.915
599.722
331.995
940.109
1.123.030
808.105
285.628
910.608

Uitvoer

tonnen.

56.121
60.354
96.778
138.077
134.486 |
283.904
314.410
472.551
595.814
673-127
490.660
643-947
407.667

Rendement
aan

Suiker.

Melasse.

960

8.15
9.24
9.21
8.52
8.70
9.56
9.51
10.54
10.79
11.43
11.87
12.08

3.22
3.13
3.00
2.89
2.75
3.61
2.40
2.24
2.33
2.50
255
2,60
2.62

5:20
SIM
u .
sio8
5x
Ens
od 9
ASH
ong
va.

18.59
19.63
17.3
17.38
18.78
18.19
16.74
16.82
15.18
14.82
14.00
14.331)
12.00 |

Bij uitvoer
gerestitueerd per 100 K.G.

of
—
HE]
4 in

Da
_p.e
53o
jn ©

on.s
Vz
350
DD Ô Os

18.80
18.80
18.80
18.80
18.50
18.80
18.80
18.80
18.00
18.00
18.00
18.00
17.25

23. —
23.—
23. —
23.—
23. —
23. —
23.—
hj
22.20
22.20
20
22.
| 21.00

21.60

21.60
21.60
21.60
21.60
21.60
21,60
21.60
20.80
20.80
20.80
20.80

20,15

Restitutie van

accijns bij uitvoer

8.888.608 Mark.

11.389.541
17.855.173
25.359-970
24.141.395
6.547.988
43-412.561
74-397.666
96.302.249
128.452.707
90.067.544
108.821.000
10:.568.000

De accijns op 100 beetwortelen werd den I Augustus 1886 van 1.60 Mark tot 1.70 Mark verhoogd,
        <pb n="20" />
        JAAR.

1875/76
1876/77
1877/78
1878/79
1879/80
1880/81
1881/82
1882/83
1883/84
1884/85
1885/86
1886/87
1887/88

Bedrag aan
invoerrecht
op suiker,
Mark,

5.672.131
3.353.926
2.369.082
2.111.772
1.729.536
1.480.967
1.518.056
1.730.108
1.400.481
1.378.602
1.434.687
1.232.000
1.858.000

Bedrag van
geheven accijns
in
Mark.

66.580.546
56,800.570
65.455-491
74.059.961
76.875.459
101.163.969
100.351.163
139-954-448
142.690.084
166.443.012
113.125.068
[41,213.000
118.387.000

Totaal
ontvangsten.
Mark,

72.252.677
60.154.496
67.824.573
76.17.733
78.604.995
102.644.936
101.869.219
141.684.556
144.090.565
t67.821.614
[14.559.755
(42.445-000
[20,245.000

Netto bedrag
van de rechten
na aftrek van
de restitutie bij
uitvoer. Mark.

63.364.069
48.764-955
49.969.400
50,811.763
54-463.600
46.069.948
58.456.658
67.286.890
4.788.316
39.368.907
24.492.2II
33.624.000
14.677.000

Dy op
Gok,
WED
So
Sass
On,
Zos

1.49

LT4
LIS
T.I6
1.23
L,I2
1,29
149
L.05
0.86
0.53.
0.72
0.31

‚569
3AagM
JO
varna
MM Dig.
EE
naos
a =

1.7

5.6
6.7
6.7
6.3
65,8

6.5
8.I
7:7
9.9
6.8
7:72
9.54

‘ ce
Ss ‚
v
E2d Md
LEX
23 DE)
kh A ò
zoËs
BES &amp;amp;
xj
nie £

54.50
gi.
58.—
56.50
68.50
62
62. —
56.—
52,50
36.40
47.80
38.50
48. —
        <pb n="21" />
        7

titutie bij den belangrijken uitvoer zooveel van die opbrengst
af, dat ten slotte de Staat in 1887-88 nog slechts ongeveer
12 pCt. van die opbrengst netto incasseerde, gelijk uit vorenstaande
 tabel (blz. 19) blijkt:
Het had allen schijn alsof, wanneer de suikeruitvoer nog een
weinig grooter zou worden, het aan restitutie uit te geven be-Jrag
 hooger zou worden dan al hetgeen aan invoerrecht en accijns
 op suiker zou worden ontvangen, zoodat de geheele door
de binnenlandsche consumenten betaalde rechten aan premie voor
de fabrikanten zouden worden besteed. Dit kon natuurlijk niet
gedoogd worden en daarom werd met 1 Augustus 1888 de accijns
op de verwerkte beetwortelen verlaagd tot 80 pfenninge de 100
K.G. en daartegenover een accijns op het product van 12 Mark
per 100 K.G. witte suiker gelegd. Bij uitvoer werd nu voor
ruwe suiker 8.50 Mark per 100 K.G. gerestitueerd, 10.65 voor
geraffineerd boven 994 pCt. en 10 Mk. voor geraffineerd boven
93 pCt., terwijl in het jaar 1892 de rechten op de beetwortelen
geheel werden afgeschaft, de accijns op verbruikte suiker op 18
Mark werd vastgesteld en een open uitvoerpremie van 1.25,
2.00 en 1.65 Mark per 100 K.G. respectievelijk van elk der
drie assortimenten werd toegestaan. Het invoerrecht op suiker
van iedere soort werd op 36 Mark per 100 K.G. gesteld, zoodat
daarmede alle invoer van buiten voorgoed onmogelijk werd gemaakt
 en de binnenlandsche producenten een . onverbreekbaar
monopolie genoten.
In het jaar 1888-89 had het rendement van suiker uit de beetwortelen
 11.96 bedragen en daar de grondstof met Mk. 0.80
per 100 K.G. belast was, gaf dit op 100 K.G. suiker een bedrag
 van 6.69 Mk. en dit vermeerderd met de 12 Mk. accijns
op het product, bracht den totalen accijns voor dat jaar op
18.69 Mk. en voor de drie volgende jaren op dezelfde wijze
berekend op 18.47, 18.62 en 18.63 Mark. In de verdere jaren
tot 1896 was de vaste accijns 18 Mark en werd toen tot 20 Mark
per roo K.G. verhoogd, terwijl, zooals gezegd is, het recht op
de grondstof verviel.
        <pb n="22" />
        Het was nu door de belasting te heffen van het product en
een vaste uitvoerpremie toe te staan, mogelijk geworden den
toestand duidelijk te overzien, en het bleek nu, dat, ofschoon
de binnenlandsche consument niet veel meer accijns betaalde
dan voorheen, de schatkist netto veel meer ontving, zoodat de
door de suikerfabrikanten direct genoten (bescherming aanmerkelijk
 verminderde.
Het had in het jaar 1890 in het voornemen van de Duitsche
Regeering gelegen aan de suikerfabrikanten alle voordeelen te
ontnemen en het geheele bedrag van de belastingen in de schatkist
 te krijgen. Daarom werd dan ook besloten 3m de open
uitvoerpremiën van tespectievelijk 1.25, 2 en 1.65 Mark slechts
tot 1895 te laten bestaan en ze daarna geleidelijk te doen verminderen.
 Nu trof het slecht, dat juist in die jaren de landbouw
een zeer gevaarlijke crisis doormaakte, tengevolge van de groote
aanvoeren van Amerikaansch graan, dat tot zoo lagen prijs aan
de markt kwam, dat de Europeesche landbouwer daar niet tegen
 concurreeren kon. Men was dus wel genoodzaakt andere gewassen
 te verbouwen en dan was ‘het voornamelijk de beetwortel,
 die het meest geschikt was om het graan te vervangen,
zoodat noodwendig de daling van de korenprijzen eene verdere
 uitbreiding van de suikercultuur tengevolge had. De prijs
van de ruwe suiker daalde dan ook in het jaar 1895 van 25.50
Mark tot 17 en onder die omstandigheden kon de Duitsche
regeering er moeilijk toe overgaan de premiën te verlagen of af
te schaffen en dat te meer, daar geen van de andere landen
maar de geringste aanwijzing gaf dat voorbeeld te zullen volgen
 en de kans dus groot was, dat de vermindering van den
Duitschen uitvoer het sein zou zijn voor de onmiddellijke uitbreiding
 van den uitvoer uit de overige landen, zonder dat de
algemeene toestand er eenige verbetering door zou ondergaan.
Onder den aandrang van de landbouwers werd dan ook de
voorgenomen vermindering van de uitvoerpremie uitgesteld en
later werd deze zelfs verhoogd tot z.50 Mark voor ruwe suiker,
 3.55 Mk. voor geraffineerd boven 99+ pCt. en 3 Mark
        <pb n="23" />
        “°

voor geraffineerd ‘boven 93 pCt., alles per 100 K.G. De bedoeling
 van deze zeer zware premie, ‚Kampfprämie”’ genoemd,
was vooreerst om den suikeruitvoer nog meer te begunstigen en
daardoor dien van andere landen te fnuiken, zoodat die den
strijd moesten opgeven en Duitschland het veld laten behouden.
 Een tweede doel, dat met die verhooging beoogd werd, was
de kosten zoover op te drijven, dat het voor menig land onmogelijk
 zou zijn den strijd vol te houden en hen dus zou dwingen
loor gezamenlijk te werk te gaan, de premiën af te schaffen.
De volgende tabel geeft de bedragen aan van den ontvangen
 accijns en van de uitvoerpremie, die door de verdubbeling
inhet jaar 1895 aanmerkelijk toenam, zonder echter de vroegere
bedragen te kunnen ‘bereiken. Tevens zijn eenige cijfers aangaande
 den prijs van ruwe onbelaste en geraffineerde belaste
suiker opgegeven.
Men ziet, dat de schatkist wel voer bij de verandering in het
regime en in plaats van ruim 14 millioen Mark in 1887-88
t17.593.000 Mark in 1902-03 ontving, terwijl toch de accijns vrijwel
 dezelfde was gebleven. De fabrikanten ontvingen bij den uitvoer
 wel minder dan tevoren, doch ontvingen evenwel ieder jaar
een zeer welkom geschenk door het bedrag van de uitvoerpremie,
dat hen zonder eenige risico zeer gemakkelijk uit de schatkist
toevloeide. Hiermede evenwel niet tevreden, wisten zij op voorbeeld
 van hunne Oostenrijksche vakgenooten het groote verschil,
dat er tusschen den accijns en het invoerrecht bestond, tot hun
voordeel aan te wenden.
De accijns op in het land geproduceerde suiker bedroeg 20
Mark per 100 K.G. geraffineerd en het invoerrecht was bij de
laatste regeling in-1895 op 40 Mark gebracht, zoodat het geheel
‚nmogelijk werd om suiker met eenige kans op voordeel in te
voeren, en de fabrikanten zich dus niet over concurrentie met
het buitenland op de binnenlandsche markt het hoofd behoefden
te breken.
Ten einde dit voor hen zoo gunstige monopolie te exploiteeten,
 sloten de gezamenlijke beetwortelsuikerfabrikanten en raf:
        <pb n="24" />
        STAAR.

1888/89
1889/90
1890/91
t891/92
1892/93
1893/94
1894/95
1895/96
1896/97
1897/98
1898/99
1899/00
1900/01
1901/02
1902/03

Totaal bedrag
van de rechten
op suiker.
Mark.

10.17.000
142.475.0C0
154.116.000
146.653.000
86.666.000
93.632.000
100,752.000
122,108.000
112.456.000
137.530.000
144.060.000
159.:994.000
147.141,000
(44.332.000
[54,939.000

Uitvoerpremie.
Mark.

80,076.000
61.960.000
78.356.000
74.61.000
34-451.000
1.401.000
5.038.000
18.407.000
25.562.000
36,659.000
34.827.000
33.270.000
31.450.000
40.739.000
37.346.000

Netto opbrengst
van de rechten.
Mark.

30.095.000
80.559.000
75.760.000
72.042.000
2.215.000
82.231.000
85.714.000
103.701.000
86.894.000
100.871.000
109,233.000
126,724.000
115.691,000
103,593.000
117,593.000

Netto opbrengst
 per
hoofd v.d.
bevolking.
Mark.

0.62

1.64
1.52
1.43
1.03
1.60
1.65
1.97
1.63
1.86
1.99
2.27
2.04
1.80
2,01 |

Consumptie
per hoofd
van de
bevolking,
KG.

7.19
IO.I2
10.54
10.58
10.98
[1.20
11.87
14.16
10.55
13.07
13.78
15.23
13.67
12,97
13.88

|

Prijs van 100 K.G. suiker.

Ruw
onbelast.

Geraffineerde
met belasting.

35
29.90
32 —
37
28. —
25.20
17. —
22.—
19.80
20.20
20.85
20.25
20,30
15.10
18.20

57.50
56
55
59.50
55
53.
41.50
46.
46.50
46.50
47.50
47.
56.20
56.20
59.65
        <pb n="25" />
        J4

finadeurs eene overeenkomst, ‚,Kartell’’ genaamd, waarbij zj
de markt onder elkander verdeelden en een vasten inkoopsprijs
voor ruwe en een vasten verkoopsprijs voor geraffineerde suiker
vaststelden. De suikerfabrikanten verbonden zich, voor zoover
het hun aandeel in de verzorging van de binnenlandsche* markt
beireft, alleen te verkoopen aan raffinadeurs, die deel uitmaken
 van het kartell. In het binnenland mogen zij geen witte
suiker verkoopen, maar zijn voor den verkoop van hetgeen van
de productie overblijft, wanneer het binnenlandsche contingent
verkocht is, geheel vrij. De raffinadeurs krijgen eveneens ieder
een aandeel aangewezen in de verzorging van het binnenland
met geraffineerde suiker en daar de ruwsuikerfabrikanten geen
witte suiker mogen verkoopen en invoer van buiten onmogelijk
is, kunnen zij door hun gemeenschappelijk optreden den prijs
van geraffineerd zoo hoog stellen als zij zelf verkiezen.
De gezamenlijke aangesloten ruwsuikerfabrikanten ontvangen
van de raffinaderijen ter verdeeling volgens hun contingent onafhankelijk
 van den marktprijs van de suiker een vaste minimum
som van 25.50 Mark voor iedere 100 K.G. geraffineerd, die
voor de binnenlandsche consumptie wordt afgeleverd. Van dien
prijs betaalt de kooper, dus de raffinadeur, den marktprijs vol
gens de Maagdeburgsche noteering en het kartell betaalt het
verschil tusschen deze en de 25.50 Mark, benevens 10 pCt. van
het verschil voor de omrekening van ruwe in geraffineerde sulzer.


Was de prijs te Maagdeburg b.v. 21.20 Mark per 100 K.G.,
dan betaalt het kartel] aan de suikerfabrikanten voor iedere 100
K.G. Mk. 25.50 — 21.20 = 4.30 Mk. + 10 pCt. = 4.73
Mark, die zij dus boven de wereldpariteit ontvangen. Het kartell
 kan die betaling zeer goed verrichten, aangezien het de
eenige leverancier van witte suiker is en de prijs dus zoodanig
kan verhoogen, dat vooreerst die premie aan de ruwsuikerfabrikanten
 uit de winst betaald kan worden, verder de kostbare or
ganisatie zelve, den strijd tegen niet-leden van het kartell kan
voeren en dan nog een niet onaanzienlijke winst voor de raf-
        <pb n="26" />
        finadeurs overlaat. Het kartell heeft in Duitschland van Juni
1got tot September 1903 gewerkt en het resultaat van dit werken
 op den suikerprijs is uit de tabel te zien, waar het verschil
in prijs tusschen ruw en geraffineerd van 26.75 Mk. in 1899-00
bij eenzelfde hoogte van den accijns plotseling tot 35.90 in
1900-01, 41.00 in 1901-02.en 41.45 Mk. in 1902-03 steeg. Terwijl
 de prijs van de ruwe suiker na 1899-00 een ‘weinig daalde,
steeg door de werking van het kartell de prijs van het geraffineerd
 in het binnenland met niet minder dan zo pCt., welk
excedent onder de suikerfabrikanten en raffinadeurs verdeeld
werd. Dit had natuurlijk een nadeeligen invloed op de suikerconsumptie,
 die aanmerkelijk daalde. De Brusselsche Conventie
 deed de uitvoerpremiën verdwijnen, en maakte door de
groote vermindering van de surtaxe, die niet boven 4.80 Mk.
per Too K.G. witte suiker mocht stijgen, een groot verschil
van den prijs van het binnen- en buitenland onmogelijk, zoodat
het kartell ontbonden werd en de groote prijsopdrijving van zelf
ophield. Tevens verlaagde de Regeering den suikeraccijns van
20 Mark tot 14 Mark per 100 K.G. en stelde in 1908 eene verdere
 verlaging tot 10 Mark in uitzicht, zoodra de nieuwe belastingen
 een meerdere opbrengst van 35 millioen Mark zouden hebben
 opgeleverd. Dit is tot nog toe niet geschied en daardoor is
de accijns in Duitschland nog op 14 Mark per 100 K.G. gebleven,
 terwijl het invoerrecht voor ruwe suiker 18.40 en voor witte
18.80 Mark bedraagt, met de strafbepalingen voor gepremiëerde
 suikers volgens de Conventie van Brussel.
De dubbele verlaging van den suikerprijs door de nieuwe
suikerwetgeving, eensdeels door de verlaging van den accijns
en anderdeels door de verlaging van de surtaxe, die het kartell
met zijne opdrijving van den prijs deed ontbinden, heeft op de
consumptie ‘van de suiker in Duitschland zulk een grooten invloed
 gehad en haar zoodanig doen toenemen, dat het totale
aan suikeraccijns ontvangen bedrag nu alweer dezelfde hoogte
veeft bereikt als het vóór de verlaging van 30 tot 14 Mark bezat,
 en daar nu de geheele exportpremie vervallen is. is het
        <pb n="27" />
        netto ontvangen bedrag zooveel grooter geworden, gelijk onderstaande
 tabel aantoont.

Totaal Uitgebedrag
 van stelde
den accijns.  premiën.
Mark. Mark.

IAAR.

1903/04 142.918.000 3.211.000
1904/05 121.792.000 58.000
1905/06 141.667.000 77.000
1906/07 146.382.000 35.000
1907/08 150.550.000 38.000
1908/09 157.719.000 69.000
1909/10 158.827.000
1910/11 161.706.000

Netto opbrengst
 v.d.
suikeraccijns

24
gsi
Ae
In’)
©;
2ò
Kn
129.707.000 2.18 19.13 I6 5
121.734.000 2.02 16.07 20.70
141.587.000 2.32 18.49 15.80
146.327.000 2.36 18.72 17.00
150,512.000 2.39 19.04 19.40
157.655.000 2.47 19.59 25.50
158.827.000 2.45 19.53 17.20
161.706.000 — — —

9
EE
7

a

Prijs van suiker
ner 100 K.G.

ij M
s
s3
{ n
Eg
[3]
Ei

36 50
50.00
35.25
37.20
39-40
45:24
37-50
        <pb n="28" />
        il

RUSLAND.

De eerste suikerraffinaderij in Rusland werd in het begin
van de achttiende eeuw in Moskou 1) opgericht en verkreeg vergunning
 de ruwe suiker vrij van belasting in te voeren benevens
et monopolie gedurende drie jaren van den verkoop. van geraffineerde
 suiker. Ook werd door de regeering beloofd, dat zoo
de nieuwe raffinaderij moeilijkheden zou ondervinden, de invoer
van geraffineerde suiker van over zee tijdelijk geheel verboden
zou worden. Dit geschiedde dan ook inderdaad, maar reeds
kort daarop werd het verbod veranderd in de heffing van een
invoerrecht tot een bedrag van 1 5 pCt. van de waarde.. Daar de
suiker toenmaals 5—8 roebel 2 per poed waarde had, kwam
dit met een invoerrecht van 0.75— 1.20 roebel per poed overeen.
Verder werd de oprichting van nieuwe raffinaderijen voor een
ieder opengesteld, maar dan met de betaling van het volle recht
3p de ruwe suiker.
Op het laatst van de achttiende eeuw werd in het Gouvernement
Toela een kleine beetwortelsuikerfabriek opgericht, terwijl na
het eerste vierde deel van de negentiende eeuw verschillende andere
 volgden. Deze genoten het voorrecht, dat niet alleen de voortgebrachte
 suiker vrij van rechten mocht worden verkocht, maar
ook de brandewijn, die uit de stroop kon worden gestookt, mocht
vrij van Techten worden afgeleverd en wel in verhouding van
twee emmers 2) op een poed witte en van één emmer op een

”) De statistieken en vele andere gegevens van dit artikel zijn grootendeels
 ontleend aan W. D. Preyer, Die russische Zuckerindustrie,
*} Zie over de equivalentie van Russische met metrieke maten en gewichten
 de tabel aan het einde van dit hoofdstuk,
        <pb n="29" />
        poed ruwe suiker. Bovendien werd het invoerrecht op suiker van
buitenslands voortdurend verhoogd en wel van 0.75 roebel in
1819 tot 3.80 in 1841, zoodat de beetwortelsuikerfabrikanten
mooie prijzen voor hun product konden bedingen. Hun aantal
nam dan ook sterk toe, en waar er in 1825 nog slechts 7 ondernemingen
 in werking waren geweest, bedroeg hun aantal in het
jaar 1840 niet minder dan 143, in 1844 206 en in 1848 zelfs 340.
Hoewel de binnenlandsche suikerconsumptie ieder jaar steeg
en de invoerrechten op de vreemde suiker, gelijk boven werd
opgemerkt, ook verhoogd werden, veroorzaakte de sterk toegenomen
 binnenlandsche productie, waarvoor in het geheel geen
accijns werd betaald, dat de schatkist van het vermeerderde
suikerverbruik niet veel voordeel had. In het jaar 1831 bedroeg
de invoer 1.453.650 poed met een invoerrecht van 2.80 roebel,
waafdoor er netto 3.706.800 roebel ontvangen werden en in
1840 was deze slechts tot 1.799.740 poed gestegen, die met
een invoerrecht van 3.80 roebel netto 5.778.410 roebel opbrachten.
 Daar het te voorzien was, dat bij de nog meerdere uitbreiding
van de Russische suikerindustrie de schatkist van lieverlede al
hare inkomsten uit de suikerbelasting zou moeten derven, werd
in het jaar 1848 ook een zeer matige accijns van de in het land
geproduceerde suiker geheven en wel tot een bedrag van 30
kopeken per poed suiker, die uit de verwerkte beetwortelen
gewonnen zou kunnen worden en waarbij dan nog slechts een
rendement van 3 pCt. suiker uit de grondstof als basis voor de
berekening aangenomen werd. Later werd de belasting vooral
voor de fabrieken, die meer dan 500 poed produceeren, verhoogd,
doch bedroeg in 1854 toch nog niet meer dan 60 kopeken per
poed, terwijl het wettelijk rendement nog steeds op 5 pCt. of
12 pond suiker per berkowitz verwerkte beetwortelen bleef gehandhaafd.

Met het oog op de zoo lage belasting op de in het land geproduceerde
 suiker en de zooveel hoogere rechten op van buiten
ingevoerde, is het duidelijk, dat waar de suikerconsumptie In
het Russische rijk toenam, de industrie zich krachtig uitbreidde.
        <pb n="30" />
        U

Wij vinden dan ook in het jaar 1859 reeds 432 fabrieken in
werking of 98 meer dan ten tijde van de instelling van den
accijns en in datzelfde tijdperk steeg de productie van 270.000
‘ot 1.2 millioen poed. De toestand was voor de fabrieken ook
veel gunstiger geworden doordat de verbeteringen, die in de kwaliteit
 van de grondstof en in de techniek waren ‘aangebracht,
veel meer suiker uit den beetwortel deden winnen, dan het geringe
 bedrag, waarover de aanslag berekend en de belasting
geheven werd. De meeste fabrieken maakten 5 PCt. suiker uit
den beetwortel en enkelen zelfs 6% pCt., zoodat die eigenlijk
slechts respectievelijk 36 en 38 kopeken per poed aan accijns
oetaalden. De invoer van vreemde suiker daalde meer en meer
en het recht bracht in 1859 slechts 2.8 millioen roebel op, tegen
8 millioen in 1848, zoodat de regeering ernstig bedacht was
de belasting te verhoogen en na veel proefnemingen in het jaar
r863 eene geheel nieuwe regeling ontwierp en invoerde.
De grondslag van de belasting van de grondstof met een van
le voren vastgesteld rendement werd, hoewel de ondervinding
van de vorige jaren voldoende het onlogische van zulk eene regeing
 had aangetoond, ook bij de nieuwe regeling behouden, Al
naar gelang van de technische inrichting van de fabrieken en
van de omstandigheden van het klimaat en den landbouw wisselde
 het belastbare rendement tusschen 44 en 6 pCt. af; de
oelasting werd tot zo kopeken per poed verlaagd, maar de
nog steeds geldende vrijdom van accijns op den uit de afvalmelasse
 gestookten brandewijn kwam te vervallen.
Het bleek al zeer spoedig, dat de berekening van de belasting
naar den maatstaf van een vast rendement voor de schatkist
zeer onvoordeelig was, want de fabrikanten brachten voortdurend
zulke groote verbeteringen in hun grondstof en in hunne fabrikatiemethoden
 aan, dat zij zeer ver boven het belaste minimum
kwamen en dus meer en meer suiker geheel vrij van accijns produceerden.
 De regeering beproefde wel met die verbeteringen
gelijken tred te houden, door de belasting achtereenvolgens op
39, 50, 70 en 80 kopeken per poed te verhoogen, maar de tech-
        <pb n="31" />
        niek was de verhoogingen steeds voor en de fabrikanten proficeerden
 zeer veel van dien voorsprong. De nominale belasting van
Bo kopeken bedroeg door het zooveel verbeterde rendement spoe:
dig slechts in werkelijkheid 40 en daalde in 1880 zelfs tot 25,
In het jaar 1881 werd dan ook dit stelsel, dat steeds last en
onzekerheid had gegeven, verlaten en de belasting van het werkelijk
 voortgebrachte product geheven. Om iri het begin de industrie
 niet te veel te bezwaren, bedroeg de accijns in het eerste
jaar 1881 50 kopeken per poed, in 1883 65 kopeken, in 1886
85 en in 1889 1 roebel, terwijl in het jaar 1894 bij gelegenheid
van eene algemeene belastingverhooging de accijns op het
bedrag van 1.75 roebel per poed werd gebracht, waarop hij
zich nu nog bevindt.
Het invoerrecht op suiker van buitenslands, dat tot het jaar
:856 3,80 roebel bedragen had en toen tot 3 roebel voor zandsuiker
 was verlaagd en tot 4 voor geraffineerd was verhoogd,
onderging voortdurend kleine wijzigingen, om ten slotte in 1906
op 4.50 roebel voor de zandsuiker en 6 roebel voor de raffinade
te worden vastgesteld. Veel beteekenis hebben deze wijzigingen
niet, want deze rechten zijn zoo hoog, dat zij practisch met
verbod van invoer overeenkomen, en de invoer van buitenlandsche
 suiker in Rusland is dientengevolge dan ook onbeteekenend.

Alleen in jaren van schaarschte aan suiker verlaagt de regeering
 voor sommige tolkantoren tijdelijk de invoerrechten, zoodat
sr in zulke tijden voldoende suiker ingevoerd wordt om een gebrek
aan dat artikel te verhinderen, maar zoodra dit bezworen is,
wordt de grens weer onmiddellijk gesloten. Door deze suikerwetgeving
 wordt dus practisch aan de binnenlandsche industrie
het monopolie van de suikerlevering verzekerd, tegelijk met bescherming
 tegen schaarschte, en daardoor wordt de prijs vrijwel
op dezelfde hoogte gehouden,’ waartoe de nader te bespreken
maatregelen ter verdeeling van de productie over de verschillende
„roducenten en over de verschillende jaren krachtig medewerken.
De Russische suikerproductie is namelĳk veel grooter dan de
        <pb n="32" />
        |

binnenlandsche consumptie, zoodat bet noodig is een deel van
de voortgebrachte suiker naar het buitenland uit te voeren. Zoowel
 de verdeeling van de binnenlandsche markt als de regeling
van den uitvoer hebben in vroegere jaren veel moeite veroor.
zaakt, daar de onderlinge concurrentie van de suikerfabrikanten
2n raffinadeurs, die ieder een zoo groot mogelijk aandeel in de
verzorging van het binnenland wilden hebben, maakte dat veel
van de mogelijkerwijs te behalen voordeelen gemist werden. Door
krachtige samenwerking van alle suikerfabrikanten, eerst uit
eigen initiatief en later gedwongen door tusschenkomst van de
regeering is de verdeeling van de binnenlandsche consumptie en
van den uitvoer thans zoo goed geregeld, dat ieders aandeel in
de verzorging van de raffinaderijen met ruwe suiker en van de
binnenlandsche consumptie met geraffineerde en zandsuiker vast
bepaald is.
Verzekert de regeering dus de suikerindustrie een ruim en
rustig bestaan, zoo profiteert zij aan den anderen kant van de
regeling, doordat zij een goed verzekerde en ruim vloeiende bron
van inkomsten uit deze industrie trekt, die gemakkelijk geïnd
kunnen worden en bij een accijns van 1.75 roebel per poed in
de laatste 9 jaren de volgende sommen alleen aan directe verbruiksbelasting
 hebben bedragen.
Binnenlandsche
consumptie.

Bedrag van
ontvangen
suikeraccijns.
80.500.000
75-250.000
78.750.000
93.625.000
94.500,000
10T.500,000
92.750.000
106.450.000
116.500.000
We vermeldden reeds, dat er in het jaar 1848 in Rusland
iet minder dan 340 beetwortelsuikerfabrieken werkten en dit
        <pb n="33" />
        aantal steeg zelfs tot 427 in het jaar 1862. Ieder jaar kwamen
er nieuwe ondernemingen bij, maar ieder jaar verdwenen er
ook weer en al die fabriekjes lagen op het platte land en hadden
een zeer bescheiden capaciteit.
Het volgende staatje geeft een goed beeld van den toestand
van de industrie tusschen de campagnes 1950/51 en 1861/62.

Campagne.

1850/51
1851/52
1852/53
1853/54
1854/55
1855/56
1856/57
1857/58
1858/59
1859/60
1860/61
1861/62

tantal fabrieken

oo 1 : '
bb, du
Ss ww ij
s5a| =8s u“ ‘
“59 ]| Ox » &amp;amp;
gs &amp;amp; z

349 358
358 382
382 391
391 397
397 395
395 403
403 401
401 401
401 426
126 433
433 a | 421
427] 5 | 15 | 417

en ee
Ox 4 Sg ex
“3 = US 55E
Tige z5 Ee8
CE 5x De
Ee"g S2S ze
53 S Zas 358
73 ä = ges

14.788
27.652
23.372
25.619
21.056
34.678
30.763
40.124
29.059
44.063
— |]

800.0
9393
701.2
T.130.0
1.350.0
1.300.0
v/040:3|
g22.9í
1.203.71
871.8
1.329.0
987.0

5-41
3.40
3.00
4.41
6.41
3-75
3.38
2.30
4.14
1.95

In het jaar 1862 ontstond er een groote crisis in de Russische
suikerindustrie door het besluit van Czaar Alexander II, dat
den 20 September 1862 de boeren uit de lijfeigenschap bevrijdde,
tengevolge waarvan de onbetaalde arbeid, dien de boeren voorheen
 verrichten moesten en die in vele gevallen het bestaan van
de onderneming mogelijk maakte, verviel. Een groot aantal van
de kleine fabriekjes, waarvan drie vierden zonder stoomkracht
werkten, moest het werk opgeven, zoodat er in het jaar 1871
nog slechts 180 ondernemingen bestonden, die evenwel veel beter
waren ingericht en ongeveer evenveel produceerden als destijds
de meer dan 400 kleinere. Het jaar 1871 bracht een zeer slechten
oogst, de suikerprijs steeg en daarmede de lust van de kapitaalkrachtige
 ondernemers om suikerfabrieken te bouwen en van den
        <pb n="34" />
        hoogen sukerprijs te profiteeren. In het jaar 1872 werden er
7 nieuwe fabrieken opgericht, in 1873 16 en in de jaren 1874
en 1875 te zamen 17, zoodat er in vier jaren tijds niet minder
lan 40 groote ondernemingen bijkwamen en de productie in
1872/73 tot 10.500.000 poed en in 1874/75 tot 11.147.411 poed
steeg. Daarmede was het deficit weer overwonnen en de tijde
lijke hooge suikerprijs daalde weer en zelfs nog sneller en meer
dan hij gestegen was, waardoor het meerendeel van de nieuwe
en vele van de reeds vroeger bestaande ondernemingen met verlies
 werkten en de toestand van de industrie hachelijk werd.
De Regeering, die zeer ongaarne zou zien dat de nieuw opgedloeide
 suikerindustrie weer té niet zou gaan, kwam te hulp en
verstrekte in 1876, om aan de overproductie een uitweg te verschaffen
 en dus de aanleiding tot de zoo lage prijzen weg te
nemen, open uitvoerpremiën, die aan de suikerindustrie het
grootste gedeelte van het bedrag van de suikerbelasting, ten
goede deden komen. De prijs van de suiker bleef laag tot in het
jaar 1880, maar in 1881 bracht een strenge en vroeg invallende
winter, die belette een groote hoeveelheid nog ongerooid zijnde
beetwortelen te verwerken, wederom een groote prijsverhooging
te weeg, die geen suiker van buitenslands kon aanlokken, daar
tengevolge van de in 1877 gemaakte bepaling, dat het invoerrecht
 in goud betaald moest worden, het recht op vreemde suiker,
dat nominaal 2.20 en 3.30 roebel per poed bruine en witte suiker
bedroeg, in werkelijkheid 3.50 en 5.30 roebel uitmaakte en dus
iederen invoer buitensloot.
De aanplant en het aantal fabrieken vermeerderden wederom
:en gevolge van de hooge prijzen en dit ging zoo voort tot in
1885, gelijk de op de volgende pagina gegeven tabel aanwijst.
De productie bedroeg toen niet minder dan 29 millioen poed,
of ongeveer het dubbele van vier jaren te voren, welke vermeerdering
 zoowel aan het vergroote met bieten beplante oppervlak
als aan de vermeerderde beetwortelopbrengst per eenheid grondoppervlak
 en aan het vermeerderde rendement toe te schrijven
was.
        <pb n="35" />
        Campagne.

[881/52.
[882/83.
1883/84.
1834/85.
1885/86
1886/87.
1887/88.
1888/89.
(889/90.
1890/91.
[891/92.
1892/93.
1893/94.
1894/05

EEG Le [
ve [ZEGE | 343 | big
=] Ea #2 oo âs$
Eis 25 TP zE UÈS
Ex _ 23 LZ = ofg
dös 2e O9 S 99%
EW] VLAS &amp;gt;9% © 27
= Soes a

234
237
245
245
241
229
219
221
221
221
226
224
224
zo8

223.
2358 +
273.8 |
291.7
299.5
270.8
231,1
245-2
247-7
279.3
281.3
264.2
305.2
207.9

215.300
228.972
221.493
246.312
336.700
287.346
260.684
280.474
267.032
301.990
262.556
222.865
344-778 |
331.056

989
970
SII
831
1138
1067
1138
1160
1087
1094
947
852
1141
1006

Es SE
„9 | S24 £
590 z'aë | eÈ
58 En8 De
Sn uvOok ë j
Ge En _£35
vB DE 290
EE sn O9
ses 359
SA Ee 8
5 5 ae£

15.878
17.435
19.103
21.067
29.039
25.949
23-749
28.394
24.606
28.476
29.649
24.388
35-316
22.268

1.37
1.50
3.42
8.57
8.57
9.12
9.10
10.00
9-15
9.72
10,80
10.65
10.25
10.0

0.50
0.50
2.65
0.65
9,65
0.85
0.85
0.85
.00
1.00
L.00
L.00 3}
L.00 1}
(‚75

VE. p :
kel d Ed
EE
= ha
Lj e sa sé
ESS Ss &amp;gt;
SEDS 25 De
jgS “is 5S
Ee] = —_
‚Nn

16,032
17.089 |
19,061
19.929
20.174
22.371
20,885
21.725
22.942
23.089
24.232
24.873
28.952
27.060

120,6
38.0
53.5
434
6.8
45
55
4:9
36.5
7.2
6.5
1702.8
18.8
11,3

|
|

18
29
II2
223
7772
3453
4217
6321
2047
5312
6817
1348
5155
3218

Y In de campagnes 1892/93 en 1893/94 werd van geraffineerde suiker behalve de roebel algemeen recht nog 40 kopeken per poed
extra geheven. die wederom werden afgeschaft toen in 1894 het recht voor iedere suiker op 1-75 R, per poed werd gesteld.
        <pb n="36" />
        ee

Uit den bedoelden staat zien wij, dat de productie de
zonsumptie al zeer spoedig overtrof en dat er zeer veel suiker
verkoopbaar bleef, die den prijs tot een peil deed dalen,
waarop het onmogelijk was zonder verlies suiker te produceeren.
Op vertoog van de suikerfabrikanten besloot de Regeering op
12 Juli 1885 wederom tot het verleenen van een tijdelijke uitvoerpremie,
 die als volgt berekend werd. Behalve de restitutie
van den betaalden accijns, genieten de suikerfabrikanten per
poed uitgevoerde suiker eene premie van T roebel, die bij uitroer
 naar Europeesche havens tot 1 Januari 1886 en naar Azitische
 havens tot 1 Juli 1886 toegestaan werd. Het betalen
van de premie houdt op zoodra de uitvoer boven de 2 millioen
poed komt en het ontvangen bedrag moet in de campagnes
1885/86 en 1886/87 tegelijk met den accijns weer teruggegeven
worden. Ieder haastte zich zoo spoedig mogelijk binnen de toegelaten
 grenzen van tĳd en hoeveelheid suiker uit te voeren,
aetgeen de binnenlandsche markt wel eenigermate ontlastte,
maar toch niet veel hielp, omdat toevallig de oogst 1885/86 zoo
uitengewoon groot was, dat de overproductie en de daardoor
ontstane overlading van de binnenlandsche markt ‘niet alleen
niet verminderden, maar nog toenamen en de suikerprijs steeds
daalde. De Regeering verlengde daarom den termĳn van uitvoer
naar Europeesche havens tot 1 Mei 1886 en dien van teruggave
van de premie met nog ééne campagne, maar het is duidelijk,
dat zulke zwakke maatregelen hier niet de gewenschte hulp verschaften.
 De fabrikanten drongen aan op een inkrimping van
de productie en een vaste uitvoerpremie op het geheele bedrag
van den uitvoer, die niet naderhand teruggevorderd zou worden
naar hoewel de Regeering ten volle overtuigd was, dat ef iets
moest worden verricht om een totalen ondergang van de industrie
 te verhinderen, zoo waren de verschillende raadgevers
en belanghebbenden het dermate met alkander oneens, dat er
behalve eenige kleinere faciliteiten in zake de wijze van accijnsbetaling
 niets werd gedaan. De crisis bleef aanhouden, in de
jaren 1885— 1888 staakten 22 fabrieken haar bedrijf, en omdat
        <pb n="37" />
        de Regeering. geen hulp bood, besloten de fabrikanten zichzelf
te helpén en den 28 April 1887 vormden 171 van de 219 bestaande
 fabrieken een Syndicaat, waarvan de voornaamste be:
palingen als volgt luiden: De contractanten verbinden zich,
ten einde een overlading: van. de binnenlandsche markt te voorkomen,
 gedurende de volgende drie jaren een deel van hún
product uit te voeren, en wel voor de campagne 1886/87 25 pCt.
op bepaalde termijnen. De verplichte uitvoer zal voor de campagnes:
 1887/88:en 1888/89 alles moeten bedragen, hetgeen de
voor ieder vast te stellen ‚‚norm’’ van productie overtreft.
De:norm.werd op de volgende manier vastgesteld. Voor iedere
‘abriek werd. de gemiddelde productie gedurende de laatste 5
jaren (1881— 1886) berekend en van dat bedrag 5 pCt. afgetrokken.
 Verder werd de in diezelfde 5 jaren verkregen hoogste
productie genomen en van dat bedrag 1/4 afgetrokken. Nu ver:
geleek ‘men beide cijfers en nam het hoogste van de twee als
norm of grondslag voor het contingent aan, dat ieder deelnemer
op de binnenlandsche markt mocht brengen. Alles wat daarboven
geproduceerd werd moest vóór 1 Augustus uitgevoerd zijn, maar
de uitvoer kon geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld, wanneer
er schaarschte in het binnenland heerschte, daaraan merkbaar,
dat de prijs van zandsuiker op de beurs te Kiew langer dan
een week op 4.50 roebel per poed of daarboven genoteerd is.
Later toen het Syndicaat vernieuwd werd, werd er, ten einde
te zorgen, dat bij een sterke vermeerdering van de binnenlandsche
consumptie de verbruikers niet door schaarschte aan suiker al
ie hooge prijzen zouden moeten betalen, op verzoek van den
Minister van Financiën ook nog bepaald, dat er een reserve
van drie millioen poed suiker boven het contingent zou worden
aangehouden, die in geval van misoogst of buitengewone stijging
van den prijs ook op de binnenlandsche markt gebracht zouden
worden. Verder werd het bedrag van den prijs, bij welken de
uitvoer moet ophouden, vastgesteld op 5 roebel voor de wintermaanden
 en 5.25. voor de zomermaanden, terwijl dé vroegere
maximum-prijs gedurende het geheele jaar 4.65 bedragen had.
        <pb n="38" />
        Daar in het jaar 1894 de suikeraccijns van 1 roebel op 1.75
was gebracht, zoo beteekent die verandering van den maximumprijs
 eene vermindering voor den verbruiker met ‘40 kopeken
in den winter en met 15 in den zomer. Bij diezelfde gelegenheden
 werden er af en toe wijzigingen in de berekening van het
contingent aangebracht, maar overigens bleef de inrichting van
vet Russische Suikersyndicaat vrijwel dezelfde.
flet aantal deelnemers nam steeds toe: men was in 1887 begonnen
 met 171 fabrieken van de 219 of 78 pCt. en tijdens de
aatste verlenging bedroeg het ledental 212 van de 224 of
93.5 pCt. van het aantal, zoodat het resultaat verkregen was,
dat de geheele verdeeling van de binnenländsche markt en de
regeling van den uitvoer in één groot monopolie waren vereenigd.
De. hier geschetste regeling had vooreerst ‘het voordeel, dat de
prijs van suiker in het binnenland niet meer aan zulke hévige
schommelingen onderworpen was áls te voren, zoodat’ er een
coestand van meer stabiliteit in het leven werd geroepen en bovendien
 bleef deze steeds zoo hoog, dat er op de voor de binnenlandsche
 markt bestemde suiker een ruime overwinst werd behaald,
 die, daar zij aan een zeer hooge surtaie (2.20—3 R.
invoerrecht en 0.501 accijns) te danken was, als eene vermomde
 premie kan worden beschouwd.
Den stand van de prijzen en de grootte, van. deze premie
vindt men in de volgende tabel (blz. 38) voor de jaren 1881 tot
‘895 verzameld.
Nu werd die vermomde premie alleen ontvangen voor de
suiker, die in het binnenland verkocht werd en deze hoeveelheid
was voor ieder der aangesloten fabrieken gecontingenteerd, terwijl
 de meerder geproduceerde suiker volgens de afspraak uitgevoerd
 moest worden en dus op de wereldmarkt niet meer dan
den daar te bedingen lagen prijs behaalde. Nu produceerde men
in Rusland met hooge kosten en tengevolge van de concurrentie
van de beetwortelsuiker produceerende landen op de open markcen
 daalde daar de suikerprijs tot onder de productiekosten, zoodat
 er op den uitvoer een niet onbelangrijk verlies werd geleden,
        <pb n="39" />
        ‘vijg van zandsniler, Nb. per poed

29 ĳ El
i 4 . ° Do
/ &amp;amp; CE EE S5d | ©8
g A | 6 SES Sos SMD | no
e 5 .e ssd os ES Ss
5 D ï fs ss“ EM 929 | HS
a z 58 2 ese A

1881/82
1882/83
1883/84
1884/85
1885/86
1886/87
1887/88
1888/89
1889/90
(890/91
1891/92
1892/93
1893/94
1894/95

1.90
7.80
7.20
3-15
1.85
3:97
4.50
4.60
4.6
4.50
5-34
5:35
4-35
4 75

j.IO
3:35
4.50
3.80
3.05
2.99
1.22
4.16
4.14
4.00
3-89
4.80
2.0
4.

2 80

245
2.70
1.35
1.80
o 98
0.28
0.44
0.47
0.50
1.45
0.55
0.65
O.5I

6.50
6.83
5:55
14.44
3-83
3:53
4.35
4.30
1.34
4-19
4:34
5.12
4-05
4.0

6.00
6.33
4.90
3-79
3,18
2.68
3.50 |
3-45
3:34
3-19
3:34
4.12
3:95
2.75

2,70
2.05
1.89
t.49
1.27
1.39
1.84
2.05
2.10
2.85
2.80
2.81
2.64
1,83

D
So
SES
Poss
wE®
zs®
4
o
mm

3.90
4.28
3.01
2.30
1,91
1.29
1.66
1.40
1.24
0.34
0.54
1.31
1.41
0.92

|

hetgeen het voordeel, dat door de contingenieering van de binnenlandsche
 markt werd verkregen, verminderde. Er was bovendien
 voor gezorgd, dat het genoemde voordeel nooit buitengewoon
groot kon worden, doordat de Regeering zich het recht voor-’ehield
 om, wanneer de prijs voor geraffineerd en zandsuiker te
Petersburg van 6—6,60 roebel en te Kiew en Odessa van 5 tot
5.50 was gestegen, het invoerrecht op buitenlandsche suiker tijdelijk
 tot Rb. 1.50 te verlagen. Deze maatregel werd weliswaar
in 1892 niet toegepast, toen de prijzen inderdaad ‘hoog gestegen
waren, maar de Regeering kocht toen 1.685.000 poed suiker in
het buitenland en verkocht ze tegen vasten prijs, afhankelijk
van den afstand tot de grens tusschen 5.10 en 5.60 roebel per
poed.
Het Syndicaat kon dus nooit van zijn overmacht gebruik maken
om den prijs bijzonder sterk op te drijven en verder was er nog
een reden, die maakte dat men met den bestaanden toestand
ontevreden werd. Zooals wij zooeven opmerkten, gaf de bimnenlandsche
 verkoop winst en de uitvoer verlies en de Syndicaatsleden
 waren in hun aandeel op de winstgevende markt gecon
        <pb n="40" />
        ingenteerd. Er bleven echter steeds een aantal fabrieken buiten
het Syndicaat, die van het door dit lichaam geschapen voordeel
ten volle profiteerden en aan den anderen kant volstrekt niet
genoodzaakt waren alles wat zij boven een vaste hoeveelheid
voortbrachten naar de verliesgevende markt uit te voeren. Zij
netaalden dus geen contributie aan het Syndicaat en verkochten
al hun suiker op de binnenlandsche markt, zoodat zij zich veel
meer konden uitbreiden dan de aangesloten fabrieken. In de
eerste drie jaren na het totstand komen van het Syndicaat nam
de productie van de leden toe met 22.7 pCt. en die van de nietleden
 met 48 pCt. Nu was het aantal van de laatsten wel klein
en verminderde ook wel, maar het bestaan van een onafhankelijke
 groep, die boven de aangesloten fabrieken het voorrecht
1ad vrij over hun geheele productie te beschikken, veroofzaakte
soms een onaangename daling in den prijs. Door een bijzonder
toeval kwam het nadeel van de mogelijkheid om zich aan het
Syndicaat te onttrekken sterk aan het licht. In de campagne
1894/95 was de suikerproductie weder buitengewoon’ groot geweest
 en de prijzen, zoowel in Rusland als op de wereldmarkt,
daalden zoodanig, dat vele fabrikanten niet aan hun verplichting
om hun overschot uit te voeren, konden voldoen en uit het Synlicaat
 traden.
De industrie stond dus wederom voor een crisis die zoowel
1aar voortbestaan bedreigde alsook de voor den Staat zoo ruim
vloeiende inkomsten in gevaar bracht,
Nadat er vele plannen waren onderzocht, die ten’ doel hadden
den toestand blijvend zoo te- regelen, dat de binnenlandsche
markt steeds ruim van suiker zou worden voorzien, zonder dat
er een overproductie ontstond en toch den suikeruitvoer niet ‘te
zeer aangemoedigd werd, besloot de Regeering den 20 November
(895 tot de volgende regeling, die eerst slechts voor drie jaren
was bedoeld, maar later op denzelfden voet verlengd werd
Het Comité van Ministers stelt ieder jaar de hoeveelheid suiker
vast, die door de fabrieken van zandsuiker en de raffinaderijen
’p de binnenlandsche markt mag worden gebracht en die - dan
        <pb n="41" />
        een accijns van Rb. 1.75 per poed betaalt. Bovendien wordt
er de hoeveelheid suiker vastgesteld, die als zoogenaamde onaantastbare
 voorraad op de fabrieken moet worden aangehouden
om in geval van schaarschte eveneens op de binnenlandsche
markt te worden gevoerd. Hetzelfde comité stelt ook ieder jaar
Je maximum-prijzen vast, bij overschrijding waarvan die genoemde
 voorraad zal mogen. worden aangetast en de voorwaarden,
 onder welke daarvan op de binnenlandsche markt zal mogen
worden gebracht. °
Wanneer een fabrikant boven zijn contingent in het binnen-‘and
 verkoopt, :dan betaalt hij behalve den accijns van Rb. 1.75
nog eens een extra recht van hetzelfde bedrag, dus Rb. 3.50.
Alle suiker, die uitgevoerd wordt, is vrij van rechten, maar ontvangt
 ook geen premie.
Wanneer de onaantastbare voorraad door verkoop in het binaenland
 verminderd is geworden, dan moet hij in het begin
van de nieuwe campagne onmiddellijk weer worden. aangevuld
en ieder jaar moet overigens de voorraad uit het oude jaar door
aieuwe suiker worden vervangen, zoodat dezelfde suiker niet van
jaar tot jaar in het pakhuis blijft liggen. °
Door deze regeling van hooger hand kon geen fabrikant zich
meer aan de contingenteering onttrekken, en deze was zoo ingecicht,
 dat kleine fabrieken, die tot 60.000 poed suiker per jaar
afleveren, alles in het binnenland mogen verkoopen, terwijl het
percentage, dat den grooteren fabrieken in de contingenteering
“oegewezen wordt, daalt naarmate de productie stijgt, met dien
verstande evenwel, dat de fabrieken toch in gewicht meer
het binnenland mogen verkoopen wanneer zij meer suiker pro-Juceeren.

De wijze, waarop het contingent berekend wordt, kan het best
afgeleid worden uit het voorbeeld van de campagne 1900/01.
In dat jaar was het contingent op 36 millioen poed en de onaantastbare
 voorraad op 3.5 millioen bepaald volgens taxatie van
de vermoedelijk door de consumenten benoodigde hoeveelheid.
De Minister van Financiën ontvangt in het begin van iedere
        <pb n="42" />
        zampagne van het centraalbureau van dé' suikerfabrieken deé'”bpgaven
 van de met beetwortelen beplante oppervlakte, van den
‘oestand van het gewas, enz. en raamt naar aanleiding daarvan
de vermoedelijke productie. Verder berekent hij hoeveel ‘procent
van de productie boven 60.000 poed iedere fabriek in hét éoningent
 zal mogen bijdragen. De vermoedelijke productie werd
gerekend op 53.369.187 poed met inbegrip van de uit het vorige
jaar overgenomen 2.800.977 poed onaantastbaren en 603.276
poed vrijen voorraad, de werkelijke productie bedroeg 53.408.958,
Tus ongeveer juist als de raming. Het aantal fabrieken bedroeg
274, ieder had recht op 60.000 poed, zoodat er reeds direct
50.000 x 274 = 16.440.000 verdeeld waren en er van de ‘productie
 36.968.958 te verdeelen overbleef op een ‘restant van
het comtingent van 19.560.000 poed, terwijl er '3.5 millioen
poed als onaantastbare -voorraad gereserveerd moest worden.
Deze cijfers verhouden zich ongeveer ls roo”: 52 : 9 en om die
reden werd het aandeel van de fabrieken in het ‘contingent boven
Je 60.000 poed gebracht op 52.9 pCt. van de productie en in
den onaantastbaren voorraad op 9. 5 pCt. De rest of 37.6 pCt.
is dan de vrije voorraad, die uitgevoerd mag worden en dan vrij
an belasting is of in het binnenland mag worden verkocht,
maar dan den dubbelen accijns betaalt.
ledere fabriek deelt dus in het contingent vooreerst voor;
50.000 poed en dan nog in 52.9 pCt. van haar productie boven
60.000 poed, zoodat een fabriek, die 60.000. poed fabriceert, hare
geheele productie inhet binnenland mag verkoopen, een die
t20:000 poed fabriceert 60.000 + seen A 91.740
en een die 200.000 poed fabriceert 60.000 + a
133.060. In dezelfde reden wordt ook ieders aandeel in den:
maantastbaren voorraad vastgesteld.
Wij zien dus dat hoe meer een fabriek produdeert, des te
meer zij op de binnenlandsche. markt mag brengen, al wordt
het percentage op haar totale productie berekend ook minder.
        <pb n="43" />
        Bij deze regeling bleef dus de prikkel om de productie uit
te breiden bestaan, terwijl de binnenlandsche markt voor overlading
 werd behoed en groote schommelingen in den prijs met
de daardoor veroorzaakte speculatie werd vermeden. De Regeering
 liet ieder jaar de grensprijzen een weinig dalen, zoodat
de consumenten ieder jaar de suiker eenigszins goedkooper konden
 krijgen, en ook zij van de verbeteringen in de techniek
en in de grondstof met de fabrikanten mede profiteerden. Daarbĳ
 kwam, dat de suikerconsumptie in Rusland sterk toenam,
zoowel door de verbeterde spoorwegverbindingen, de opening
van de Siberische markten en ook door het verminderende alcoholgebruik,
 dat de consumptie van thee en dus van suiker in de
hand werkte.
Uit het. hieronder volgend staatje zien wij hoe in den loop
der jaren let contingent voor de binnenlandsche consumptie
steeds toenam en hoe dit telken jare zoo zuiver berekend was
geworden, dat er slechts zeer weinig uit de reserve behoefde te

Campagne.

ve
1896/97
1897/98
1898/99 !
1899/00 |
1900/01
1901/02
1902/03
1903/04
1904/05
1905/06
1906/07 :
1907/08
1908/09
1909/10
t9to/1I
t9rr/i2 |

Contingent
in
millioen
poed.

75.5
28,0.
31.0 |
4.0 1
‚55
6.0
‘9.0
3.0
5.0
0
0.0
2.0
73.0
‚T.0
‚8.0
70.0
13.0

Onaantastbare

voorraad
in millioen
voed.

Ze
2.5
2.5
3-5
1-5
2.5
‚0
‚0
0
54.0
7,0
‚0
‚0
0
o
‚0
|

"

… : In den loop van de
Grepen voer | campagne werden op de
° markt gebracht.

£ Bee Jae Jan.-1 Sept.

uit den
onaäntastbaren

voorraad.

uit den
vrijen
voorraad.

.7r 3.00
4.65 4-90
4.60 4.80
4.50 | 4.70
4.45 | 4.60
4.40 | 4.55
4.35 | 4.50
4.30 | 4.45
1.20 | 4.35
1.20 4.35
4.15 4.30
4.15 4 30
4.15 1.30
14.10 4.20
4.10 4.20
4.10 4.20
4.05 4.15

1.25
2.0
1.5 |
0 |
2.0
wi

4.5

2.5
2.0
2.0

3-5
2.0
1.0

50
2.0

4.0
60
        <pb n="44" />
        ‚2

worden genomen en hoogst enkele malen ook de vrije voorraad
voor de behoefte van het binnenland moest worden aangesproken.

Het stelsel werkte zeer goed, ofschoon er in jaren van zeer
goede oogsten een overproductie ontstond,’ die toen na 1903 de
uitvoer naar de aan de Brusselsche Conventie deelnemende landen
 werd bemoeilijkt, zeer groote voorraden onverkocht deed
blijven, die op de volgende campagne een zeer nadeeligen invloed
uitoefenden.
Doordat het contingent op de voordeelige binnenlandsche markt
voor iedere fabriek toenam naarmate zij meer produceerde, bestond
 er een aandrang om de productie uit te breiden en wanneer
 eene fabriek dit deed, dan waren de anderen uit zelfbehoud
genoodzaakt het voorbeeld te volgen om niet door den verminderden
 percentvoet van de productie een kleiner aandeel in de
verzorging van die markt toegewezen te krijgen. Bovendien bestond
 de bepaling, dat de fabrikanten bij de opgave van hunne
productie het. van den oogst van het vorige jaar onverkocht
geblevene bij dien van het tegenwoordige jaar mochten tellen.
Wanneer dus eene fabriek hare inrichtingen vergrootte en veel
meer suiker boven de gecontingenteerde hoeveelheid produceerde,
welk overschot niet uitgevoerd werd, dan was zij gerechtigd deze
hoeveelheid in het volgende jaar bij de contingentberekening
te laten meetellen en kreeg dus een dubbele vermeerdering van
bet aandeel. Uit de hiervoor opgenomen tabel zien wij hoe het
aantal suikerfabrieken en de met beetwortelen beplante oppervlakte
 toenam, ‘waardoor de totale hoeveelheid geproduceerde suiker
steeg en zoo ver boven de inmiddels ook vermeerderde consumptie
 kwam, dat er een zeer onaangenaam drukkend overschot
 aan het eind van de campagne ontstond.
Ten einde dezen wedloop van de fabrikanten om de productie
te vermeerderen te doen staken, werd er in het jaar 1903 eene
verandering in de berekening van het contingent ingevoerd, die
dan ook het resultaat had, dat de beplante oppervlakte en de
suikerproductie aanmerkelijk werden ingekrompen en de over-
        <pb n="45" />
        Campagne.

1895/96
1896/97
1897/98
1898/99
1899/00
i900/01
1901/02
1902/03
1903/04
1904/05
905/06
1906/07
1907/08 .
:g08/09 .
[909/10 .
t9Io/it

Aantal !
werkende
'abrieken. !

2.30
235
238
243
268

273
277
276
275
275
281
283
279
174.
177
:.78

Geoogste
desjatinen
bietenland,

316.215
323.699
363.923
401.313
440.487
480.797
507.143
524.869
490.020
430.297
48.551
318.221
555.910
477.393
494.788
598.405

Geoogste
hoeveelheid
Ïeetwortelen
in Doed.

336.006.000)
350.143.000
363.759.000
366.813.890
446.132.320
390.772.450
489.892.070
537.384.710
470.259.840
393.108.000
470.489.000
$23.630.810
534.708.240
499.282.000
417.087.000
801,783.000

Poed
beetwortelen
ner desiatine.

1046
1079
989
914
1006
818
1008
1014
952
925
959
'100
962
ro46
845
1342

Suikerproductie
in 1000 poed. 1}

42.465
44-409
46.135
45.450
53.369
54.614
63.295
71.882
81.071
15.889
64.353
84.941
94.675
96.063
80.85 2 |
[23.300

Poed suiker | Suiker op
per desjatine. Too beetw.

121.6
[zI.2
106,6
TO1,9
108.7
100.5
117,0
120,1
128.4
21.3
[17.4
138.9
138.5
143.I
125,0
195.0

11.08
[1.07
10.90
11.02:
10.85
12.52
11.08
12,0
13,05
13.01
[11 03
12.50
[4.50
13.68
14.80
4.54

Binnenl.
consumptie
In 1000 poed.

27.831
30.251
32.726
35.481
36.393
40.478
45.678
42.555
44.718
48.810
51.334
53-624
58,108
60.830
68.853
74.452

„Uitvoer
* poed.

1 3.606.014
8.189.145
1:293.875
7.757.364
[2.529.282
7.828.928
7.991.909
14:673.815
10.555.108
6,028.522
3.896.372
6.911,025
7.743.000
6.211.000
5.398,000
[9.928.000

Voorraad op
het einde van
de campagne
poed.

7.613.920
8.276.500
7.194.361
7.464.000
7.760.444
6.816.238
14.384:071
17.708.149
26.212.929
14.642.014
10,656.II1
28.402.631
27.737.000
18.937.000
6.599.000
29.319.238

“a deze productie-cijfers is het overschot der vorige campagne inbegrepen,
        <pb n="46" />
        schotten eveneens daalden. In plaats van de productie geheel
vrij te laten, werd er bepaald hoeveel suikér er voor een normale
productie noodig was en deze bestond ‘uit ‘het benoodigde voor
de binnenlandsche consumptie met aanvulling van den onaantastbaren
 voorraad en uit het benobdigde voor den „muttigen’’ uit:
voer naar de natuurlijke Russische markten, n.l. Finland, 'Noord-Perzië,
 Afghanistan en China, voor zoover deze over land geschiedt.
 Elke uitvoer boven die hoeveelheid is met verlies verbonden
 en wordt door de Regeering niet verder in aanmerking
genomen. _…
Voor de eerste campagne 1903/04 werd de normale productie
op 63 millioen poed aangenomen en wel op 45 millioen. voor de
binnenlandsche consumptie, 8 millioen voor den onaantastbaren
voorraad en 10 millioen voor den nuttigen uitvoer, en dit contingent
 werd over de verschillende fabrieken verdeeld naar maté
7an haar productievermogen. ' |
Op vrij ingewikkelde wijze werd voor iedere fabriek op de
Dasis van de producties in de. vroegere jaren berekend. hoeveel
tij zou. kunnen produceeren en het contingent op de vroeger
vermelde wijze over die bedragen omgeslagen. Het principe
ran een minimum contingent werd behouden en zelfs op 80.000
poed: gebracht, zoodat eene. fabriek, die 80.000 poed
suiker produceert, haar. geheele productie op de binnenlandsche
markt mag brengen,
In het meergenoemde jaar 1903/04 bedroeg het op de bovengemelde
 wijze berekende productievermogen 7.517.781 ‚poed,
de geraamde productie 81.071.265 en de werkelijke zelfs
82.971.472; daar het contingent slechts 63 millioen poed be-Jroeg,
 was in dat jaar het percentage van het productievermogen
boven de 80.000 poed, dat de fabrieken in het contingent
mochten deelnemen 72.8 pCt. :
Toen later de productie daalde en het cijfer voor het contingent
steeg, rees ook het percentage, dat in het jaar 1907/08 zelfs tot
28.4 pCt. klom, zoodat nagenoeg de geheele normale productie
le Regeeringsbescherming genoot en alleen de door uitbreiding
        <pb n="47" />
        boven de gemiddelde productie van de laatste jaren ontstane vermeerdering
 onbeschermd bleef.
Als een bewijs hoe gunstig de hier geschetste regeling op de
stabiliteit van de binnenlandsche markt werkte, laten wij hier
een lijstje volgen van den prijs van zandsuiker in de verschillende
 jaren. Hoe zeer ook op de wereldmarkt de suikerprijs
veranderde, zoo bleef deze binnen de grenzen van het’ Russische
gebied vrijwel dezelfde en daalde alleen gestadig, doordat de
Regeering nog, op eenige weinige uitzonderingen na, ieder jaar
den grensprijs verlaagde, waardoor de marktprijzen genoodzaakt
waren die beweging te volgen. Uit het verschil tusschen. den prijs
en den wereldprijs, vermeerderd met het recht à 1.75 roebel,
zien wij, dat de suikerfabrikanten door deze regeling een aardig
voordeel hadden, terwijl de schatkist door de consumptiebelasting
 à Rb. 1.75 per poed een bedrag ontving, dat in IgI0 ongeveer
 4 pCt. van de geheele staatsinkomsten of 34 pCt. van het
totale door accijnzen opgebrachte bedrag bedroeg.
Terwijl er zoodoende goed voor. de verzorging van de binnenlandsche
 markt door de eigen nijverheid gezorgd was, verliep in
de jaren na 1903 de buitenlandsche uitvoer zienderoogen. De in
Brussel gesloten Conventie verplichtte de West-Europeesche
landen alle premiën af te schaffen, geen hoogere surtaxe te heffen
 dan 5.50-frs. à frs. 6 per Too K.G. en bij invoer van suiker
 uit premie gevende landen een extra recht te heffen ter
noogte van de premie. Rusland kon niet aan de Conventie deelnemen,
 want de binnenlandsche industrie werkte zoo duur, dat
zij de verborgen premie, die in de hooge surtaxe school en die
volgens de hiervoor gegeven tabel in 1903 ongeveer 1-40 Rb. per
poed bedroeg, niet missen zonder onder te gaan. De surtaxe bedroeg
 4.50 — 1.75 = 2.75 Rb. per poed, terwijl de Conventie
slechts 5.50 per Too K.G. of 0.33 Rb. per poed als maximum
toestond. Men rekende, dat het mogelijk was in Duitschland een
poed suiker voor 1.25 Rb: te produceeren en rekent men daar
de vracht en andere kosten à 0,20 Rb. bij, het invoerrecht op
0,33 en den accijns op 1,75, dan kon de Duitsche suiker, zoo
        <pb n="48" />
        Campagne.

1895/96
1896/97
1897/98
1898/99
t899/00
1900/01
1901/02
1902/03
1903/04
1904/05
1905/06
1906/07
1907/08

Grensprijs
van
Sept.-1 Jan.

4-75
4.70
4.65
4.50
4:45
4.40
4-35
4:30
4.20
4.20
4.15
4.15
4.Ic |

Maximum,

4.75
4.70 |
465
4.55
4:37
4.28
4.29
4.22
4.18
4.25
4.31
4.27
4.IE

Marktpris,

Minimum,

4:35
4.42 |
4-57
4.45 |
4.17
4.22 |
4.23
4.11
4.03
4.10
4.10
4.10
3.97

|

Grootste
schommeling

0.40
0.28
0.08
0.10
0.20
0.06
0.06
o.II
0.15
0.15
0.21
0.39 |
0.18

Grensprijs
van
LJan,-1 Sept.

6,00

4.90
4-80
4.70
4.60
4.55
4.50
4.45
4-35
4.35
4.30
4.30
4.30

Aarktprijs.

Maximum.

Minimum.

4.50
4-71 4.55 |
4.71 4.60
4.70 4-40
4.63 4.20
4.56 4.44
4.50 4.18
4:40 4.10
4.33 4.22
4.45 4.10
4.40 | 4.15
4-13 | 3:95
4.05 3.90

4.80

Grootste
chommeling.

0.30
0.16
0.11
0.30
0.43
0.12
0.32
0.30
0.11
0-35
0.25
0.18
0.16

Wereldprijs
vermeerderd met
het Russische
verbruiksrecht
à 1.75.

3.34—3-86
3.26-—3.37
3.26—3.49
3.393.683
3.33—3:83
3.22 3.71
2.89—3.22
2.90 3.25
2.95-3.55
3-40 4.95
4.25-4.45
3.30— 3.70
2,17—3.35
        <pb n="49" />
        UITVOER VAN RUSLAND NAAR:

Campagne.

1897/98. .
1898/99. .
1899/00.
1900/01.
tgor/o2. .
1903/03.
1903/04. -
1904/05. .
1905/06.
1906/07.
1907/08.
1908/09. .
1909/10. . .
tOIO/IT.

MWest-Europa.

2.740.127
2.588.151
5.862.916
309.864
1.607.516
5.632.096
1.668.112
255.416
162.892
156.977
3.885.806
514.770
130.761
1.423.672

Kinland.

1.540.860:
1.823.262
2.549.007
2 028.198
1.746.403
2.101.712
2.134.099
1.144.525
331.808
2.229.840
4:974-526
6.994.186
1.311.464
2.707.789

Turkije,

848.153
817.416
L.051.133
1.540.640
901.975
1,885.584
3.196.365
1.064.560
12.458
538.844
4:974-526
4:505:658
147.713
4.718.159

Perzië

2.147.480
2.506.547
3-039.593
2.894.514
3.684.680
3.941.631
3:204.493
3.155,210
3.135.904
3.834.877
3.870.709
3-705.997
3:523.499
4.880.182

China.

7.011
12.591
16.867
38.009
38.860
65.124
313.766
391.164
239 644
114.387
192.410
347.700
238.433
88.169

Afghanistan,

4.764
8.635
9.766
11.917
12.415
32.840
19.551
15.382
12.400
23.394
37.981
44.478
45.831
109.494

Andere
Aziatische
landen.

5:480
‚762

5.786
60
14.818
18.722
2.265
1.266
12.708
38
29
21
21

Totaal,

7.293.875
7.757.364
12.529,282
7.828.928
7.991.909
14.673.815
10,555.108
6.028.522
3.896.372
6.911.625
17.768:312
16.233.949
5-397.872
19 927.506
        <pb n="50" />
        Rusland deel van de Conventie uitmaakte, zonder verlies voor
3:53 Rb. te Petersburg verkocht worden, hetgeen voor Russische
suiker onmogelijk zou zijn. Om dus de binnenlandsche markt
voor de eigen industrie te behouden, kon Rusland niet tot de
Conventie toetreden en dientengevolge werd de Russische suiker
bij invoer in de Conventielanden met een extra recht belast, dat
ingevolge besluit van de Permanente Commissie op 31 en Ig fÍrs.
respectievelijk per 100 K.G. geraffineerde en ruwe suiker werd
vastgesteld. 1} Groot-Britannië maakte van het bĳ de Conventie
toegestane recht gebruik om den invoer van de Russische suiker
geheel te verbieden en daardoor zien wij den zoo veelbelovenden
Russischen suikeruitvoer na 1903 aanmerkelijk dalen, gelijk nevenstaande
 tabel duidelijk doet zien. :
Het jaar 1907 bracht wederom eene verandering in den toestand.
 De Britsche Minister van Buitenlandsche Zaken, Sir
Grey, deelde den 6n Juni van dat jaar aan de Permanente Commissie
 te Brussel mede, dat hij de beperking van den aanvoer van
suiker in Groot-Britannië voor onvereenigbaar hield met zijne
politiek en met de belangen van de Britsche verbruikers en fabrikanten
 en dat hij daarom niet kon voortgaan volgens de besluiten
 van de Conventie den invoer van zulke suikers zwaarder te
belasten of zelfs te verbieden, die door de Commissie verklaard
worden gepremiëerd te zijn Wanneer de overige contracteerende
staten Groot-Britannië vrij willen laten zulke suikers niet hooger
 te belasten dan wil zijn Gouvernement gaarne aan de in dien
zin gewijzigde Conventie blijven deeïnemen,: maar indien men
van meening mocht zijn, dat Groot-Britannië in dat geval geen
deel meer van de Conventie mag uitmaken, dan zal het zich
even gaarne terugtrekken.
Hoewel de Conventie op deze wijze geenszins meer ten volle
aan het gestelde doel beantwoordde, waren de toegetreden staten
 met de tot nog toe verkregen resultaten zoo tevreden, dat zij

) Later werd dit verminderd tot 8.14 francs per T00 K.G. suiker van 95—
99 pC. pol. tot 7.16 francs voor suiker tusschen 88 en 85 en tot 6,19 voor
suiker beneden 88 pCt.
        <pb n="51" />
        verkozen de voortduring daarvan niet door een opzegging van de
Conventie in de waagschaal te leggen en keurden den 28n Augusmus
 1907 goed, dat zij, te beginnen met 1 September 1908, weler
 voor den duur van 5 jaren zou worden verlengd, dat de
voorwaarden dezelfde zouden blijven met die uitzondering, dat
Groot-Britannië vrijgesteld zal worden van de verplichting, neerzelegd
 in Art. 4 van de Conventie, namelijk dat bij invoer van
zepremiëerde suiker in dat land. een extra recht minstens ter hoog-:e
 van de premie zal worden geheven.
Dit besluit was voor Rusland van zeer veel belang. Men had
verekend, dat met 1 September 1907 een onverkochte voorraad
van 19 millioen poed overgebleven zou zijn, die, als de uitvoer
niet vermeerderde, op denzelfden datum van het volgende jaar
:ot 30 millioen poed zou stijgen. Nu Groot-Britannië weder voor
de Russische suiker openkwam en deze daar op denzelfden voet
ehandeld werd als die van de andere staten, die geen bedekte premie
 geven, was er weder een groot veld voor den export vrij gekomen,
 en om die reden zond Rusland nu wel een vertegenwoordiger
naar de Conferentie te Brussel. Het was namelijk voor het belang
 van Rusland zeer gewenscht, dat de volgens den wensch
van Sit Grey gewijzigde Conventie in stand bleef, want daardoor
 bleven alle concurrenten onder de verplichting van geene
premiën te geven en geen hooge surtaxen in te voeren, waardoor
de wereldprijs nooit onder de productiekosten zou dalen. Rusland
 had door zijne bedekte premie en hooge surtaxe het voordeel
 den prijs op de binnenlandsche markt zoo hoog te houden,
dat er op de uitgevoerde suiker verloren kan worden en er toch
op slot van rekening een goed voordeel voor de fabrikanten overolijft.
 Zou de Conventie daarentegen niet voortgezet worden,
dan is ieder land weer vrij om premiën te geven, de kartells kunaen
 weer opgericht worden en de voor Rusland zoo ongunstige
oestand van vóór 1903 komt weer terug.
Volgens diezelfde overwegingen was het ook voor de andere
Staten van veel belang, dat, wanneer men de Conventie wilde
sontinueeren, Rusland op de eene of andere manier ook toe-
        <pb n="52" />
        trad om niet als buitenstaander zonder eenige tegenverplichting
te geven alle voordeelen binnen te halen, Het was niet te verwachten,
 dat Rusland geheel op denzelfden. voet als de andere
mogendheden tot de Conventie zou toetreden en aan den anderen
kant was het zeker, dat Duitschland geheel uit de Conventie zou
uittreden en daardoor de geheele overeenkomst zou doen vervallen,
 wanneer Rusland vrij bleef zijn geheele overschot op de
Britsche markt te werpen. Wordt echter de uitvoer van Russische
suiker tot een zeker bedrag gecontingenteerd, zoodat deze niet
door productievermeerdering tot in het oneindige zou worden opgedreven,
 dan vervalt het bezwaar van Duitschland, en aangezien
oet voortbestaan van de Conventie voor alle partijen voordeelig
was, werd goedgevonden, dat met 1 September 1908 Ruslaná
onder speciale voorwaarden aan de Conventie zou mogen deel
nemen.
Deze luiden, dat Rusland niet genoodzaakt is, zijne tegenwoordige
 fiskale regeling en suikerwetgevng te veranderen, maar
dat het zich verplicht, gedurende den duur van deze Conventie,
Jus tot 1 Sept. 1973, niet de voordeelen te vermeerderen, die
de suikerfabrikanten uit de vaststelling van den suikerprijs in
iet binnenland verwerven. Verder verbindt Rusland zich om ge-Jurende
 de zes jaren, te beginnen met 1 September 1907, niet
meer accijns te restitueeren dan over T millioen ton bij uitvoer
naaar andere landen dan F inland, Perzië en de naburige over
land te bereiken Aziatische landen, te zamen de natuurlijke Rusische
 markten genoemd.
Bij de onderhandelingen over het in de laatste alinea, genoemde
 contingent was het gebleken, dat Rusland in de jaren 1900-tgo6
 gemiddeld per jaar 5 millioen poed. naar de laatstgenoemde
plaatsen van bestemming had gezonden en ongeveer 3,6 millioen
poed naar West Europa, zoodat de voorstellen eerst luidden
Jit cijfer als dat van het voor de andere plaatsen toegelaten coningent
 aan te nemen. Rusland kwam daartegen op met de beweing,
 dat het cijfer kunstmatig laag was gehouden door de Conventie,
 die juist den uitvoer had belemmerd en dat het dus niet
        <pb n="53" />
        Vd

aanging, nu Rusland ook toetrad, dit riĳk op het minimum te
houden, te meer daar de industrie in de laatste jaren sterk was
iitgebreid en om al die redenen wenschten de Russische vertezenwoordigers
 een contingent van 5 5 millioen poed te verdeelen
over 5 jaar.
Om evenwel te verhinderen, dat onmiddellijk reeds Russische
suiker naar een of ander buitenlandsch entrepôt zou worden uit
gevoerd om na I September 1908, wanneer de Britsche havens
weer voor Russische suiker zouden geopend worden, de Lon-Jensche
 markt met de aan de contingenteering ontsnapte suiker
ie overstroomen, werd bepaald, dat de contingenteering reeds
gerekend zou worden den 1 Sept. 1907 begonnen te zĳn. Daartegenover
 werd het contingent nu over 6 jaren genomen en vastgesteld
 op 61 millioen poed of 1 millioen ton tusschen 1 Sept.
1907 en 1 Sept. 1913. Deze zouden in max imum als volgi
worden verdeeld :
van 1 Sept, 1907 —31 Aug. 1909 300.000 ton.
1909— 31 1910 200.000 ,
1910—31 191 200.000 ,
191131 „ 1912 200.000 ,
‚  I912-31 , 1913 200.000
De som is 1.1 millioen, terwijl de toegestane hoeveelheid
slechts 1 millioen ton bedraagt, doch dit is zoo te verstaan, dat
de bedragen van de verschillende jaren de maximale zijn. Wanneer
 er op 31 Aug. 1912 te zamen 900.000 ton uitgevoerd zijn,
dan mag er in het laatste jaar slechts 100.000 ton met terug:
gaaf van den accijns worden uitgevoerd. Is in die vorige jaren
de uitvoer onder het contingent gebleven, dan mag men in het
.aatste jaar uitvoeren tot dat het maximum van 1 millioen in
‘otaal of dat van 200.000 ton voor dat laatste jaar is bereikt.
De uitvoer naar de zoogenaamde Russische markten, Finland,
Perzië enz. over land valt niet onder het contingent.
Door de hier geschetste regeling is het aan Rusland gelukt
2m met biĳjbehouding van zijne eigenaardige, ‘binnenlandsche
wetgeving, zich een zeer goed geregelden suikeruitvoer verzekerd
        <pb n="54" />
        te hebben. De export naar Finland, Perzië, Afghanistan en enele
 deelen van het Chineesche rijk bedraagt nu ongeveer 7
millioen poed per jaar en daarbij komt nu To millioen poed, die,
als er te veel suiker in het land mocht zijn, zonder verhoogd recht
te betalen op de West-Europeesche markt gebracht mag worden.
Door verschillende omstandigheden, zooals sterk vergroote binnenlandsche
 consumptie en kleine opbrengst in 1909-10, is het
volle contingent niet tot uitvoer gekomen, maar nu in 1910-11
de productie van Rusland tot 2.1 millioen ton of 128 millioen
poed is gestegen, is in het laatste jaar de volle 200.000 ton naar
le West-Europeesche havens uitgevoerd geworden.
Hiermede is Rusland echter niet tevreden. |
Met het oog op een door den grooten beetwortelsuikeroogst
‘90-11 op 1 Sept, overgebleven overschot van 500.000 ton of
30 millioen poed heeft de Russische regeering den 26 Oct. 1911
zen samenkomst van de Permanente Commissie te Brussel uitgelokt
 en daarop aangevraagd het contingent voor 19II-I2 met
400.000 ton te mogen verhoogen, dus tot 600.000 ton op te voe-‘en.
 Deze aanvraag werd eensdeels gemotiveerd door het groote
overschot van den Russischen oogst en anderdeels door de slechte
resultaten van den oogst 191T-12 in Duitschland en Oostenrijk,
waardoor er zeer waarschijnlijk geen suiker zal overblijven om
aar Groot-Britannië te worden uitgevoerd. De Britsche gedelegeerde
 gaf als de meening van zijne regeering te kennen, dat
Je hooge suikerprijs in Groot-Britannië niet zoozeer een gevolg
was van eene te kleine productie, maar toe te schrijven is aan
Je operaties van speculanten, die, nu de Russische voorraad geblokkeerd
 is, kans hebben gezien de voorraden in handen te
ouden en den prijs op te drijven. De Britsche regeering kan
Je beperking van den Russischen uitvoer niet langer dulden en
ondersteunt de Russische aanvraag om verhooging van het uitroercontingent,
 ja, wil liefst de geheele beperking van dien uitvoer
 afgeschaft zien.
De vergadering is tot den 8en December verdaagd en op dien
latum zal waarschijnlijk Rusland eene aanzienlijke verhooging
        <pb n="55" />
        = A

van het contingent voor 1911-12 vragen, benevens een gestadige
uitbreiding daarvan gedurende de volgende jaren. Groot-Britannië
 zal waarschijnlijk de aanvraag steunen en er bestaat kans
dat dit land met 31 Augustus 1913 de Conventie zal verlaten,
zoodat er in de eerstvolgende maanden groote gebeurtenissen
op het gebied van de suikerwetgeving te wachten zijn.

Russische munten, maten en gewichten.

desjatine . . .
t poed . . . .
1 pond (1/40 poed) .
1 berkowitz (10 poed)
I emmer . . ..
t roebel . .

10925 hectare.
16.38 kilogram.
0.409 „
163.80 5
12.298 liter.
1.30 gulden.
        <pb n="56" />
        V

OOSTENRIJK-HONGARIJE.

Reeds in het jaar 1787 werden er te Königsrat in Boheme pogingen
 aangewend. om op technische wijze suiker uit beetworteen
 te winnen in eene fabriek, die tot 1802 heeft gewerkt. In
et jaar 1800 werd de fabriek Horowitz opgericht en later
volgden er meer, zoodat Boheme in de jaren 1803-1809 een
niet onbelangrijke hoeveelheid suiker opleverde. Tijdens den
duur van het Continentale Stelsel, dat den prijs van suiker in
dat land tot 50 gulden per 100 K.G. opdreef, groeide het aanta)
en de productie aan, zoodat in het jaar 1812 Boheme 10
suikerfabrieken telde, die te zamen 26.200 K.G. stroop en
6.300 K.G. suiker fabriceerden. In het jaar 1813, toen de prijs
van de suiker wederom tot een meer normaal niveau Was gedaald,
 nam het aantal fabrieken af tot 6 met eene productie van
ó500 K.G. stroop en 7200 K.C. suiker, in 1814 werd er 6250
K.G. stroop en 300 K.G. suiker in drie fabrieken bereid, in
i815 produceerden 2 fabrieken 11.800 K.C. stroop, terwijl de
aatste fabriek in het jaar 1821 gesloten werd.
Eerst in het jaar 1830 dacht men er weder aan suikerbieten te
planten en te verwerken, in 1832 werd er voor het eerst op
eenigszins groote schaal suiker voortgebracht, reeds in 1840
bedroeg het aantal suikerfabrieken 87 en in 1854 werd er evenveel
 suiker in het land zelf geproduceerd als er van buiten werd
ingevoerd.
In het jaar 1849 werd eene belasting op in het binnenland
geprodceerde suiker van {2.50 per 100 K.G. ruwe en f4 geraffineerde
 suiker geheven, maar reeds in het daarop volgende
        <pb n="57" />
        jaar werd van dezen grondslag voor de belasting afgezien en in
plaats daarvan de belasting op den voet van Io kreutzer per
100 K.G. beetwortelen geplaatst. Spoedig daarop werd deze belasting
 verhoogd en in het jaar 1853 op 16, in 1855 op 24 en
in 1857 op 36 kreutzer verhoogd, terwijl daar in de jaren
1859 nog 10 pCt. en 1862 30 pCt. boven geheven werd.
Men was evenwel met dit systeem niet tevreden en ging er in
1865 toe over om, terwijl in naam de belasting per too K.G.
beetwortelen geheven bleef worden, de hoeveelheid verwerkte
beetwortelen niet meer door weging te bepalen, maar te berekenen
 uit de afmetingen van de diffusiebatterij en het aantal
malen, dat deze gevuld zou kunnen worden. Het product van
die twee cijfers was dan de hoeveelheid beetwortelen, voor welke
de fabriek gedurende den tĳd, dat de diffusiebatterij gebruikt
was geweest, werd aangeslagen.
Had reeds de belasting naar het gewicht der beetwortelen,
evenals dit in Duitschland het geval was geweest, een groote
uitbreiding van de beetwortelsuikerindustrie tengevolge en evenzens
 eene groote ‘verbetering in de kwaliteit van de grondstof
en in de inrichting van de fabrieken, zoo was het eerstgenoemde
 in nog veel sterkere mate het geval toen de belasting niet
meer geheven werd van de verwerkte hoeveelheid beetwortelen,
maar van de hoeveelheid, die volgens taxatie met een bepaalde
diffusie-installatie verwerkt zou kunnen worden. Het werd nu
voordeelig met zeer kleine diffuseurs zeer snel te werken, vooreerst
 om laag aangeslagen te worden en verder om meer beetwortelen
 te verwerken dan waarvoor men de belasting betaalde,
en het gevolg daarvan was dan ook, dat er veel meer suiker
werd voortgebracht dan waarvoor accijns voldaan werd.
Juiste cijfers van de productie zijn, zooals begrijpelijk is, niet
op te geven, daar de fabrikanten zich wel wachtten juiste gegevens
 te verstrekken over de inderdaad ter verwerking gekomen
hoeveelheden van hun grondstof.
Daar de binnenlandsche consumptie lang niet in die mate
toenam als de productie, verdween vooreerst de invoer van
        <pb n="58" />
        A

buitenlandsche suiker en begon Oostenrijk al zeer spoedig suiker
 uit te voeren. Bij dien uitvoer werd de accijns teruggegeven
en wel over het werkelijke gewicht aan uitgevoerde suiker. Ook
hier bleek het weldra, dat naar mate de uitvoer toenam, de restitutie
 zeer snel het geheele accijnsbedrag naderde en het zelfs
în het jaar 1875-76 met 135.556 gulden overschreed. De exporteurs
 ontvingen dus in dat jaar aan vermomde _uitvoerpremie
meer terug dan de geheele binnenlandsche accijns had bedragen,
maar ook in jaren, waarin dit niet zoo duidelijk bleek, was er
een wanverhouding tusschen den ontvangen accijns en de restitutie,
 gelijk uit onderstaande tabel blijkt, waarin de netto bedragen
 vermeld zijn, die de Oostenrijksche schatkist uit de suikerbelasting
 heeft getrokken.
t860— 1864 gemiddeld 7 millioen gulden.
1865— 1869 56
1870— 1874
1875—1879
1880— 1884
1885— 1890 15
Om te zorgen, dat de restitutie niet weder boven het bedrag
van den accijns zou kunnen stijgen en in het algemeen om haar
niet te groot te maken, werd er in 1878 besloten, dat de accijns
ieder jaar een zeker, vooraf vast te stellen bedrag zou moeten
opleveren. Wordt dit niet bereikt, dan zijn de fabrieken verplicht
het deficit aan te vullen pondpondsgewijze met hare productie.
 Lang duurde echter deze maatregel niet, want in het jaar
1888 werd de belasting volgens de getaxeerde hoeveelheid beetwortelen
 afgeschaft en eenvoudig de werkelijk geproduceerde
suiker belast. De suiker werd belast met 117 gulden per 100
K.G. en tegelijkertijd werd een open premie op den uitvoer
gegeven van f1.50 per too K.G. ruwe suiker van 880 polarisatie,
 van fr.60 voor suiker van boven 93° polarisatie en van
f2.30 voor suiker met meer dan 99.50 saccharose-gehalte. In
1896 werd de accijns op f13 en in 1899 op f19 per 100 K.G.
vastgesteld. Om evenwel te zorgen, dat de schatkist bĳ die uit-
        <pb n="59" />
        voerpremiën niet te kort zou komen, werd het totale premiebe-Jrag
 per jaar op 5 millioen gulden vastgesteld en wanneer er
in een of ander jaar meer aan premie zou zijn betaald, dan moest
het overschot door de suikerfabrieken in het volgende jaar in
verhouding met hare productie worden teruggegeven. Toen
in het jaar 1896 de Duitsche uitvoerpremiën verhoogd werden,
meende men in Oostenrijk ook niet achter te kunnen blijven en
verhoogde het maximum bedrag van de uitvoerpremie tot 9 milioen
 gulden. Het was voor de schatkist een zeer goede maattegel
 geweest, de uitvoerpremie tot een zeker maximum te beerken,
 want de uitvoeren waren in ieder jaar veel hooger dan
met het maximum zou overeenkomen, daar de terugbetalingen
van in de verschillende jaren boven het maximum ontvangen
premie als volgt waren:
1888/89. ef 323114
1889/90. „ 2.838.295
1890/91. 3.765.258
1891/92. 3.677.628
:892/93. 4.140.615
1893/94- 4-699.902
1894/95 ‚ 4.062.734
1895/96. ep 4673934
In de laatste jaren vóór de verhooging van het maximum
ot 9 millioen gulden werd dus ongeveer de helft van de genoten
remie van {5.000.000 + 4.699.902 in 1892-93 genoten weer
in 1893-94 met 4.699.902 terugbetaald, zoodat de inderdaad genoten
 uitvoerpremie per 100 K.G. uitgevoerde suiker aanmer-&amp;lt;elijk
 lager was dan het in het jaar 1888 aangenomen bedrag.
De wetgeving van Oostenrijk maakte het evenwel niet noodig,
dat er juist op den uitvoer zooveel premie zou moeten worden
gegeven, daar de binnenlandsche consumptie genoeg opleverde
om de suikerfabrikatie groote voordeelen te verschaffen. In
Oostenrijk-Hongarije was de invoer van suiker, behalve met het
ceeds genoemde verbruikstecht à f19 of 38 Kr. per 100 K.G.,
nog bovendien belast met 26 Kronen per 100 K.G. suiker van

-
        <pb n="60" />
        iedere soort, zoodat het niet mogelijk was suiker van buiten in te
voeren en de suikerfabrikanten derhalve het monopolie van de
suikerverzorging in het land zelve bezaten. Het meeste voordeel
van het monopolie wordt verkregen, wanneer de producenten zich
met elkander verstaan niet beneden een vastgestelden prijs te
verkoopen en elkander niet onderbieden, en de Oostenrijksche
suikerfabrikanten hebben de kunst uitstekend verstaan van groote
voordeelen uit hun monopolie te trekken.
Reeds in 1890 richtten de Oostenrijksche raffinadeurs een
bond op met het doel het groote verschil tusschen den accijns
op de in het land geproduceerde suiker en de rechten, die op
ingevoerde suiker zouden drukken, te exploiteeren, door
de productie van geraffineerde suiker in overeenstemming
te brengen met het verbruik. Later werd aan elke tot den bond
toegetreden raffinaderij een contingent toegewezen, dat door
haar op de binnenlandsche markt zou gebracht mogen worden,
maar zoowel door het dalen van den prijs als door het ontstaan
van nieuwe, niet tot den bond behoorende raffinaderijen, werd
de verzoeking om buiten het contingent te verkoopen te sterk en
werd in 1894 het eerste ‚Kartel! ontbonden.
In het jaar 1898 werd eene nieuwe vereeniging, ditmaal van
ruwsuikerfabrikanten en raffinadeurs gezamenlijk, opgericht,
waarbij als grondslag werd aangenomen, dat de ruwsuikerfabrieken
 voor de binnenlandsche markt geen witte of geraffineerde
suiker zouden bereiden. Verder verbonden zich de ruwsuikerfabrikanten
 hunne ruwe suiker alleen aan raffinaderijen te verkoopen,
 die deel van het Kartel uitmaken en dit voor zoover
hun contingent reikt. Voor den verkoop naar het buitenland bestonden
 geen beperkende bepalingen, maar iedereen was vrij die
hoeveelheid en die soort van suiker te exporteeren, die hem het
meeste voordeel aanboden. De raffinadeurs krijgen evenzeer
ieder een aandeel aangewezen in de verzorging van het binnenland
 met suiker en betalen aan de ruwsuikerfabrieken 15 gul
den of 30 Kronen per Too K.C. als minimum. Wanneer de
marktprijs beneden 30 Kronen daalt, dan betaalt de raffinadeur
        <pb n="61" />
        dien marktprijs en het Kartell hetgeen er aan de 30 Kronen te
kort komt, en dit kan het doen door den prijs van geraffineerde
suiker te verhoogen. Wanneer het Kartell de eenige verkooper
van witte suiker is en er van het buitenland niet kan worden
ingevoerd, dan moeten de consumenten, zoolang het verschil
.usschen den door het Kartel] gedecreteerden prijs en den wereldprijs
 nog maar even kleiner is dan het invoerrecht, met dien
prijs wel genoegen nemen en hem betalen. Van die winst werd
sen fonds gemaakt, dat in de eerste plaats zorgde de niet aangesloten
 belanghebbenden tot toetreden te noodzaken, door tijdelijke
 prijsverlaging, wanneer een concurreerende fabriek witte
suiker zou produceeren of desnoods door het aankoopen van aandeelen
 in weigerachtige ondernemingen. De rest werd besteed
9m het verschil van den marktprijs (met 22 Kronen als minimum)
 en 30 Kronen uit te betalen, terwijl hetgeen dan overbleef
le Kartellwinst van de raffinadeurs uitmaakte.
Het aandeel, dat de ruwsuikerfabrikanten in eenige jaren, ge-Jurende
 welke het Kartell bestond, uit die winst kregen, was in:
. . + . + KT, 16.200.000
„ 15-100.000
„ 15.700.000
20.600.000

1897/98 . .
1898/99
899/00
1900/or

Op 100 K.G. raffinade, die met 110 K.G. ruwe suiker geijk
 gesteld werd, laat zich de winst voor de raffinadeurs en de
ruwsuikerfabrikanten als volgt berekenen :
Prijs van raffinade in het binnenland per 100 Kg. Kr. 85.—
Ruwe suiker 110 Kg. à Kr. 22 — Kr, 24.20
Raffinagekosten en winst. . . . . „7:56
Accijns . ee 38
Bruto Kartellwinst . . .
Bij den marktprijs à 22 Kr. wordt zooveel
bijbetaald, dat de vaste prijs van 30 Kr.
bereikt is, dus voor 110 Kg. à 8 Kr. = . . . . 8.80
Voor de rafinadeurs blijft dus over .
        <pb n="62" />
        In dit geval krijgen de ruwsuikerfabrieken per 100 K.G. raffinade
 een Kartellwinst van 8.80 Kr. en de raffinadeurs een van
6.64, maar hiervan moeten de onkosten nog af, die niet onaanzienlijk
 zijn.
Lang duurde het Kartell evenwel niet ; in Britsch-Indië werden
sedert het jaar 1899 compenseerende rechten op gepremieerde
suiker geheven ten bedrage van de genoten premie, en in het
begin werd dit bedrag gelijk genomen aan dat van de open
uitvoerpremie, doch in het jaar 1903 werd boven dat cijfer nog
een extra recht gelegd van Rs. 3.3.9 per cwt., als compensatie
op de Kartellwinst, zoodat niettegenstaande uitvoerpremie en
Kartellwinst de uitvoer van Oostenrijksche suiker naar Britsch-Indië
 geheel moest ophouden. Toen Groot-Britannië in het jaar
1902 dreigde ook zulke compenseerende rechten te heffen, die
dus allen invoer van Duitsche en Oostenrijksche suiker in dat Tijk
onmogelijk zouden maken, wanneer de Continentale mogendheden
 niet de suikerpremiën afschaften en slechts eene matige
surtaxe bij invoer hieven, moest men toegeven en bij de Brusselsche
 Conventie werd aan den dubbelen eisch gevolg gegeven.
Zoowel de open premie op den uitvoer van Oostenrijksche
suiker verviel en doordat nu de buitenlandsche suiker niet meer
zoo volledig buitengesloten zou kunnen worden, werd het Kartell
 opgeheven, waardoor eensdeels de overprikkeling van den
uitvoer ophield en in de tweede plaats de suikerprijs in het
binnenland daalde, zoodat de consumptie aanmerkelijk kon toe-1emen.

De toestand van de suikerproductie in Oostenrijk-Hongarije
was sedert 1890-07 1) als volgt:

Taar.

1890/91.
1891/92.
1892/93.
1803/04...

Aantal ee
fabrieken.  DCetwortelen.
tons

2i4
213
STA

6.866.000
6.536.700
7:045.900
6.401 2900

Verkregen
suiker.
tons,

Verkregen
suiker op
(00 beetw.

767.465  T1i,18
774.498 11.84
793.058 11,25
834.005 13.03

Gemiddelde
beetwortelverwerking

per fabriek.
322.000
305.000
330.000
200.000

ì) Van 18711905 overgenomen uit Paasche, Die Zuckerproduction
der Welt
        <pb n="63" />
        3)

Aantal _
Jaar. fabrieken,

1894/95...
1895/96...
1896/97...
1897/98. ….
1898/99...
1899/00. ….
1900/01...
1901/02...
1902/03...
1903/04...
1904/05...
1905/06...
1906/07...
1907/08...
1908/09...
9009/10. ...

217
216
217
216
214
213
213
216
216
215
206
207
206
205
204
202

Verwerkte Verkregen
beetwortelen. suiker,
tons. tons.

8.527 500
5.756.400
7.866.500
6.865.400
7.611.500
8.484.300
7.407.800
8.945.000
7.136.000
7.756.000
6.207.000
9.681.000
8.977.100
8.555.400
933-000
$ 166.000

1.044.576
781.036
929.900
821.693
1.041.796
1.098.551
1.083.328
1.291.100
1,050.900
1.116,500
871.168
1.478.737
1.315.686
1.420.000
1.386.907
1.240 608

Gemiddelde
Vin ea Ie
VerwWerKIn;
Op Dee per abriele
394.000
267.000
362.500
317.000
355.600
396.200
342.000
414.120
330.370
360.740
301.310
467.600
435.800
417.300
388.900
404.200

12.20
13.50
IT,62
11.90
13.70
12.00
14.60
14.40
14.70
14.90
14.20
15.50
14.80
16.6
17.5
IC,2

De bestemming van de suiker was in de verschillende jaren
als volgt:

aar.

1888/89...
1889/90...
1890/91. ….
1891/92...
1892/93...
1893/94...
1894/95...
1895/96...
1896/97...
1897/98...
1898/99...
1899/00. .….
1900/01...
1901/02...
1902/03...
1903/04...
1904/05...
1905/06 .….
1906/07...
1907/08...
1908/09...
0009/10...

Gerafineerd.
Lon.
146.560
244.142
233.870
228.386
283.139
358.210
351.829
306.313
412.800
425.048
316.075
317.551
544.597
705.104
639.722
486.037
359.818
740.837
515.718
648.961
603.411
539.201

Uitvoer van Suiker.
7 —_Ë‘—
Ruw. Totaal berekend
ton, als ruw. ton.
122.605
138.919
212.603
214.855
165.441
92.245
61.598
165.822
102.587
24.708
136.048
132.554
89.705
34-487
108.504
57.614
89.706
36.895
113.659
166.493
184.485
97.072

Consumptie.
ee
Totaal Per hoofd.
240.000
287.003
282.671
304.578
321.241 7.5
313.371 3
364.726 4
378.884 8.6
338.579 7.6
374-573 “5
389.710 8.6
361.805 7.9
381.325 8.3
390.400 8.4
418.200 8.9
507.507 10.7
477.600 9.11
526,500 10.60
535.800 II.03
543.617 11.23
376.162 11,86
192.082 12,18
        <pb n="64" />
        Deze cijfers toonen aan, dat de uitvoer van suiker uit de
Oostenrijk-Hongaarsche Monarchie door het wegvallen van de
uitvoerpremie na 1 September 1903 niet geleden heeft, al is
zij na dien datum ook niet vooruitgegaan, gelijk zij gedurende
de premiebetaling wel deed.
Deze uitvoer is voornamelijk gericht naar Groot-Britannië, den
Levant en Turkije, terwijl de in vroegere jaren zoo belangrijke
uitvoeren naar Britsch-Indië en het Verre Oosten door de groote
uitbreiding, die de rietsuikerindustrie heeft ondergaan, hebben
opgehouden.
De binnenlandsche consumptie is na (het jaar 1903 aanzienlijk
toegenomen en wel met ongeveer 50 pCt. en dit geschiedde,
niettegenstaande, dat de wereldprijs vrijwel dezelfde bleef en de
suikerbelasting zoowel vóór als na dien datum op 38 Kronen
per 100 K.G. suiker gehandhaafd bleef, alleen tengevolge van
de priĳsvermindering door het ontbinden van het Kartel], dat
den binnenlandschen suikerprijs zoo hoog hield. Een klein overzicht
 van de prijzen in Kronen van ruwe en geraffineerde suiker
in Oostenrijk kan dit duidelijk aantoonen :
5 Geraffineerd 5
“BB9e zende met acTas,  GMITEpÒL gere on een
23.88 68.10 30.10
24.80 72.66 34.66
26.36 72.86 34.86
26.35 84.87 46.87
25.23 8487 4687
18.85 84.87 46.87
20.92 84.92 46.92
20.59 68.10 30.10
29.81 76.09 38.09
19.08 63.25 25.25
21.40 69.03 31.03
23.66 74.00 36.00
23.46 74-38 36.38
31.03 80.67 42.67

Jaar.

1896/97...
1897/98...
1898/99...
1899/00...
1900/01. ….
1901/02...
1902/03. ….
1903/04...
1904/05. ….
1905/06. .….
1906/07...
1907/08. ….
1908/09...
1909/10...
        <pb n="65" />
        In de Kartelljaren was de suikerprijs binnenslands op 46.87 Kr.
per too K.G. vastgesteld en toen vielen de groote verschillen
van ruim zo Kronen per 100 K.G., die onmiddellijk verdwenen,
toen het Kartell ontbonden werd. De prijs van de suiker daalde
van 84.92 tot 68.10, en het verbruik per hoofd, dat in de jaren
vóór dien steeds ongeveer 8 K.G. per jaar had bedragen, nam
plotseling een hooge vlucht om nu op ongeveer 12 K.G. of
so pCt. meer te zijn gekomen. /
Na 1906-07 zien wij het verschil in prijs tusschen de ruwe
en de geraffineerde suiker weer eenigszins stijgen en dit is een
gevolg van de overeenkomst tusschen de raffinadeurs gesloten
om de verzorging van het binnenland met geraffineerde suiker
onderling te verdeelen en den prijs op dezelfde hoogte te houden.
De overeenkomst werkte zeer goed, maar voldeed niet geheel
aan de verwachting, omdat de ruwsuikerfabrikanten er geen deel
van uitmaakten en dus ongehinderd konden concurreeren met
op hunne fabrieken witgemaakte ruwe suiker of zandsuiker,
waardoor zij het monopolie van de raffinadeurs braken.
Daarmede was evenwel geen der beide partijen geholpen en
gedachtig aan de schoone jaren van 1900-1903 hebben in Oostenrijk
 de fabrikanten van ruwe suiker en de raffinadeurs met 1
April 1911 weer een Kartell gesticht op ongeveer gelijksoortigen
voet als het eerste, maar dat nu niet zulke goede winsten belooft,
 doordat de surtaxe volgens de besluiten van de Brusselsche
Conventie niet boven frs. 6 per 100 K.G. mag komen en de binaenlandsche
 prijs dus niet zoo ver boven den wereldprijs kan
worden gesteld als vóór de Conventie.
Bij het nieuwe Kartell verbinden zich de Oostenriĳksche ruwsuikerfabrikanten
 voor de binnenlandsche markt geen geraffineerde,
 witte of zandsuiker af te leveren en geen aandeel in
eenige Oostenrijksche raffinaderij te verwerven. Verder verbinden
 zij zich hunne ruwe suiker, die voor het binnenland bestemd
is, uitsluitend te verkoopen aan raffinaderijen, die bij het Kartell
 zijn aangesloten en wel ieder voor het hem aangewezen contingent.
 Aan den anderen kant verbinden de raffinadeurs zich, aan
        <pb n="66" />
        het einde van iedere maand een bedrag van 3.50 Kronen voor
iedere 100 K.G. suiker, die in Oostenrijk in consumptie is gekomen,
 in de kas van het Kartell te storten. Na aftrek van de
kosten wordt het bedrag onder de fabrikanten van ruwe suiker
verdeeld in verhouding van hunne grootste productie in een van
de laatste 5 kalenderjaren, terwijl de omrekening van het gewicht
 van geraffineerd in ruwe suiker geschiedt door aan te nemen,
 dat ruwe suiker van iedere soort 89 eenheden telt, tegen
geraffineerde en zandsuiker 100.
De ruwsuikerfabrikanten behouden hunne volle vrijheid om
voor den uitvoer zooveel suiker van iedere soort te fabriceeren
en te verzenden als zij verkiezen, daar het Kartell alieen de binnenlandsche
 markt beheerscht.
Het is duidelijk, dat de 3.50 Kronen premie, die de raffinadeurs
 aan de ruwsuikerfabrikanten toekennen, ten slotte door
de consumenten worden betaald, doordat de prijs van geraffineerd
 zooveel hooger wordt gesteld. Dit kan zeer goed geschieden,
 daar de buitenlandsche suiker boven het verbruikstecht van
38 Kronen nog een invoerrecht van 6 Kronen betaalt, zoodat
er voor de raffinadeurs na de betaling van de 3.50 Kronen een
marge boven de wereldpariteit van 2.50 Kronen per 100 K.G.
overblijft. Nu er geen zandsuiker of witte suiker meer door de
ruwsuikerfabrikanten geleverd wordt, zijn de consumenten wel
verplicht bij de raffinadeurs ter markt te gaan en den hoogen
prijs te betalen, zoodat dit Kartell noodzakelijk een prijsverhooging
 van suiker in Oostenrijk en waarschijnlijk eene vermindering
van de consumptie. ten gevolge zal hebben.
Wanneer wij de consumptie in Oostenrijk, buiten Hongarije,
9p 400.000 ton suiker aannemen, dan brengt dit Kartel! per
jaar een bedrag van 14 millioen Kronen in de kas van de ruwsuikerfabrikanten,
 hetgeen zonder er de minste moeite voor behoeven
 te doen, ontvangen wordt, zoödat het wel aan te nemen
is, dat de overeenkomst ook na den termijn tot 1916/17, tot
welken zij nu is aangegaan, zal verlengd worden.
Deze mooie premie kan het voor de Oostenrijksche fabrikanten
        <pb n="67" />
        mogelijk maken het voor export aangewezen deel van hun productie
 tegen lageren prijs aan te bieden dan hunne mededingers
uit andere landen, die niet zulk een goeden ruggesteun gemieten.

Bij de totstandkoming van de Brusselsche Conventie had men
erop gerekend, dat een surtaxe van frs. 6 per too K.G. geraffineerd
 te laag was om tot Kartellvorming aanleiding te geven,
maar het Oostenrijksche voorbeeld toont, dat dit ook met dit
kleine ‘bedrag nog zeer goed mogelijk is, wanneer de geïnteresseerden
 maar eensgezind zijn en door onderlinge samenwerking
de door de wetgeving overgelaten kansen van uit de suikerbelas-‘mgsvoorschriften
 te behalen winst weten te exnloiteeren.
        <pb n="68" />
        NEDERLAND.

In het jaar 1819 werd de invoer van geraffineerde suiker uit
het buitenland met een recht van fzo per 100 K.G. belast, terwijl
 ruwe suiker slechts f0.60 per 100 K.G. aan invoerrecht
betaalde. Bovendien was de suiker een accijns verschuldigd van
16.80 voor de 100 K.G. geraffineerde en J1o per 100 K.G.
ruwe suiker. 1) In 1822 werd de accijns op den grondslag van de
ruwe suiker geheven, die toen fg bedroeg, maar reeds in het
jaar 1829 tot {12.60 werd verhoogd. In het jaar 1833 werd de
accijns op de ruwe suiker op {13.50 gebracht en tevens bepaald,
dat bij uitvoer voor geraffineerde suiker en kandi f22 zou worden
 gerestitueerd en voor basterdsuiker f13.50. Hoewel er vrij
veel suiker in het land werd geconsumeerd, dus in werkelijk.
heid een groot bedrag aan accyns werd opgebracht, was de terugbetaling
 van den accijns bij uitvoer zoodanig in het voor:
deel van de raffinadeurs, dat, niettegenstaande de verhooging
van den accijns het netto in de schatkist komende bedrag in
het jaar 1840 slechts {43.519 groot was.
In het jaar 1852 werd de belasting op de suiker op f13.50
per Too K.G. ruwe suiker gehandhaafd en tevens het totale bedrag
 van deze heffing op {750.000 per termĳn van 6 maanden
vastgesteld. 2) Tegelijkertijd gaf de Volksvertegenwoordiging aan

 Eenige van de in dit opstel genoemde cijfers uit de geschiedenis vóór
1883 heb ik te danken aan den heer J H. de Beuk, verificateur te Amsterdam.
Wanneer er in eenigen termijn minder dan dat bedrag zou worden
ontvangen, dan zou het ontbrekende over de raffinadeurs pondpondsgewijs
naar hun verwerking worden omgeslagen.
        <pb n="69" />
        de Regeering de vrijheid om bĳ Koninklijk Besluit de noodige
verordeningen uit te vaardigen omtrent eventueel te fabriceeren
imlandsche beetwortelsuiker. Van dat jaar af kunnen we dus
de Nederlandsche beetwortelsuikerfabrikatie op industriëele
schaal dateeren, daar de onder Napoleon op dat gebied ondernomen
 werkzaamheden niet meer dan proefnemingen genoemd
mogen worden.
In het jaar 1864 kwam tusschen Nederland, Frankrijk, Engeland
 en België een verdrag tot stand, waarbij paal en perk
werd gesteld aan de premiën, die door het verleenen van te
hooge restitutie van accijns aan de raffinadeurs werden verleend.
 Er werd namelijk voorheen een uniform recht van iedere
«uwe suiker geheven, onverschillig hoe hare samenstelling was,
waarbij dan voor de raffinaderij een zeker percentage als rendement
 werd aangenomen. Bij uitvoer werd over het volle bedrag
van de geraffineerde suiker het recht teruggegeven, zoodat het
voor de raffinadeurs wenschelijk was zoo zuiver mogelijk ruwe
suiker in te voeren. Daarom voerde Nederland toen ter tiĳde
voornamelijk de zuivere hooggradige Java suikers in, terwijl
Groot Britannië, waar het recht naar een zekere schaal geheven
 werd, de minderwaardige West-Indische, Cuba en andere
muscovado-soorten importeerde. Elk der genoemde landen zag
met steeds stijgend ongenoegen hoe de restitutie van het recht
bij uitvoer steeds toenam, en daar het werkelijke rendement, dat
de raffinadeurs uit de ruwe suiker verkregen, steeds grooter
werd, groeide de restitutie eveneens aan en werd steeds hooger
Jan hetgeen werkelijk voor die suiker bij invoer was voldaan.
In Frankrijk werd het wettelijke rendement wel een weinig
hooger aangenomen, maar ver durfde men daarmede niet
gaan om de eigen nijverheid niet bij die van de naburige landen,
waar de premiën eveneens hoog waren, te doen achterstaan.
Zooals gezegd is, kwam na lange onderhandelingen den Ssten
November 1861 de eerste internationale suikerconventie tot
stand tusschen België, Frankrijk, Groot-Britannië en Nederland,
 waarbij voorloopig als minimum rendement voor ruwe sui-
        <pb n="70" />
        kers, voor de berekening van de belasting werd aangenomen, dat
van 100 K.G. ruwe suiker aan broodsuiker wordt verkregen :
1e klasse 15/18 Hollandsche standaard . . 87 K.G,
2e „ 10/14 „ P 85
3e „7/9 ’ # SI
4e „ beneden 7 » .
Zoo spoedig mogelijk zou door een officieele raffinaderijproef
worden nagegaan hoe hoog inderdaad het industrieele rendement
is om met de verkregen cijfers als basis den aanslag in de .belasting
 zoo dicht mogelijk bij de werkelijkheid te doen komen. In
dier voege zou bij de restitutie van het invoerrecht bij den uitvoer
 van geraffineerd nooit meer teruggegeven kunnen worden
dan inderdaad is betaald, zoodat hiermede alle premie op het
raffineeren afgeschaft zou zĳn geworden. In het jaar 1865
werden de door de Conventie bedoelde proefnemingen met het
raffineeren in eene raffinaderij te Keulen genomen en daartoe
t.600.000 K.G. suiker in 4 partijen van 400.000 K.C. elk verwerkt.
 In 1866 werd het resultaat bekend gemaakt en in datzelfde
 jaar als basis voor de bepaling van het wettelijke minimum
 rendement aangenomen, dat nu als volgt luidde :
Droge witte broodsuiker . . 100 pCt.
Suiker Te klasse No, 15—18 . .
‚ 2e, „ I0—I4.
3e klasse suiker 7/9 . . . .
4e 5, » beneden 7. . 67 ,
Hoe goed het systeem ook bedoeld was, toch bleek het spoedig
 groote fouten te bezitten, die op den duur de goede werking
 in gevaar brachten. Vooreerst is de kleur van de suiker
geen goed kenmerk van haar gehalte en vooral gold dit, wanneer
 Tietsuikers van verschillende afkomst en beetwortelsuiker
met rietsuiker vergeleken worden. In een memorie van de Kamer
 van Koophandel te Hamburg van 1868 wordt o.a. aangegeven,
 dat bij eenzelfde kleur van suiker, nl. No. 12, de polarisaties
 van verschillende suikers als volgt uiteenliepen :
Java en Cuba 93, 94.5, 95, 95.5, 96 pCt.

6
        <pb n="71" />
        Bourbon en Mauritius 91, 92, 92.5, 93.5, 95 pCt.
Duitsche beetwortelsuiker 90.7, 91.6, 92.5, 93, 93.8 pCt.
Belgische beetwortelsuiker go.5, 95.5, 96.5 pCt.
Fransche beetwortelsuiker 92, 93, 96 pCt.
Dit was dan ook al bij de proeven te Keulen gebleken, waar
eenige partijen ruwe beetwortelsuiker, die met No. 14 en 15 waten
 gekeurd, respectievelijk 92 en 93 pCt. polariseerden en daarentegen
 een, die kleur No. 12 vertoonde, een polarisatie van
93.8 pCt. bezat _
Was de kleur voor de waardebepaling van rietsuiker nog
eenigszins met de werkelijkheid overeen te brengen, zoo was dit
geenszins het geval met de beetwortelsuiker, en het hierdoor
veroorzaakte nadeel nam natuurlijkerwijze steeds toe, naarmate
door de uitbreiding van de beetwortelsuikerindustrie het aandeel,
 dat deze in de verzorging van de raffinaderijen met de
grondstof had, toenam en dat van de rietsuikerindustrie verminderde,

Een tweede gebrek van het stelsel was de verdeeling in klassen
 van verschillende nummers, welke klassen Onderling op den
grondslag van zeer verschillende percentages moesten betalen.
Een suiker, die No. 9 gekeurd werd, betaalde 8 pCt. minder
dan een, die kleur No. To vertoonde, en daarom werd het een
streven hoofdzakelijk de suikers in de hoogste kleur van iedere
klasse te verwerken, dus 9, 14 en 18, daar deze meer rendement
 gaven en dus bij uitvoer meer restitutie opleverden dan
een lager nummer in dezelfde klasse en toch hetzelfde betaald
had.
Ook voerde men bij voorkeur zulke suikers in, die uit de natuur
 bij een hoog gehalte eene donkere kleur vertoonen, waartoe
vele rietsuiïkers gerekend konden worden, en ten slotte wist de
techniek zich nog te helpen, door, wanneer zulke suikers uit de
natuur niet te verkrijgen waren, hooggradige suikers met een
onschadelijke kleurstof het uiterlijk van laaggradige te geven
an deze eene van de laagste klassen te doen aannemen.
Daar Groot-Britannië in het jaar 1874 alle belasting op suiker
 afschafte en er dus ook van restitutie bij uitvoer geen sprake
        <pb n="72" />
        -
(

kon zijn en Frankrijk na den oorlog van 1870 in andere conditie
 was gekomen en zĳn handelspolitiek wijzigde, werd in het
jaar 1874, toen de voor den duur van To jaren gesloten Conventie
 afliep, geen poging aangewend, die in ongewijzigden toestand
 voort te zetten. In verschillende landen wilde men de raffinaderijen
 als entrepôt doen beschouwen, waarin de suiker vrij
van rechten verwerkt werd en waarbij alleen de’ in het binnenland
 geconsumeerde suiker belast werd, terwijl de uitvoer geheel
 vrij zou zijn. Deze regeling, die voor de raffinadeurs bij een
nauwlettene bewaking alle kans op premiën zou doen verloren
gaan, stuitte evenwel bij hen op zeer grooten tegenstand, die
vooral in België en Nederland zeer sterk was, zoodat men niet
tot overeenstemming kon geraken en na lange onderhandelingen
in 1877 van het sluiten van eene nieuwe Conventie afzag.
leder land richtte nu weder zijne suikerwetgeving naar zijn
eigen inzichten in, gaf premiën op productie of op uitvoer en
trachtte zooveel mogelijk de eigen suikerindustrie uit te breiden
door den uitvoer naar buiten te vergemakkelijken, zoodat het
thans niet meer de uitvoer van geraffineerde suïker was, die
door de staatshulp werd beschermd, doch die van de in het
land voortgebrachte ruwe beetwortelsuiker.
Ook in Nederland was de toestand door het opbloeien van de
eigen industrie zeer veranderd. Voorheen was het de hoofdmarkt
van de Javasuiker, en doordat deze bij een zeer hoog gehalte een
lage kleur had, zoo genoot zij een groot voordeel door in een 1agere
 klasse te worden aangeslagen dan een overeenkomstige beetwortelsuiker.
 Sedert evenwel het Gouvernement van Nederlandsch-Indië
 de bemoeienis met de suikerindustrie had opgegeven
 en de suiker uit Java niet meer naar Nederland ter vei
ling kwam, sedert de differentieele rechten in Nederlandsch-Indië
 waren afgeschaft en de Java suiker direct naar Engeland
en andere landen ging, verloor Amsterdam zijne plaats als centrum
 voor den handel in rietsuiker en wijdde men er meer de
aandacht aan de beetwortelsuiker.
Nu werd er aan de andere zijde meer beetwortelsuiker in eene
        <pb n="73" />
        7

lagere klasse gebracht dan met haar eigenlijke waarde overeenkwam
 en wel door haar kunstmatig met caramel te kleuren, doch
daarin werd in het jaar 1880 voorzien door de bepaling, dat
wanneer suiker kennelijk kunstmatig gekleurd wordt bevonden
het klasseeren geschieden zal door onderzoek van haar gehalte
en vergelijking daarvan met het gehalte van Javasuiker. Het
gehalte werd bepaald volgens de uitwaschmethode van Scheibler
 en is dus lager dan de polarisatie, daar er alleen de in
kristalvorm zijnde suiker wordt aangegeven en het suikergehalte
van de aan de kristallen aanhangende melasse verwijderd wordt.
Volgens de bij deze bepaling verkregen cijfers werd de suiker
dan geclasseerd, zoodat suiker boven 97.8 pCt. in klasse 1
komt, suiker van 94.497.8 pCt. in klasse 2, suiker van 87.4-94.4
 pCt. in klasse 3 en suiker beneden 87.4 pCt. in klasse 4
wordt gebracht.
De gekleurde beetwortelsuikers werden dus in dezelfde conditie
 gebracht als rietsuiker, terwijl de ongekleurde, doordat daarbij
 de natuurlijke kleur met een lager gehalte samengaat dan bij
rietsuiker, steeds een weinig hooger werd belast dan rietsuiker
en deze dus op de Nederlandsche markt een zekere bescherming
genoot.
In 1884 werd de grondslag van de belastingheffing op ruwe
suiker geheel veranderd en ‘nu aangenomen, dat de belasting zou
worden berekend over het door scheikundig onderzoek vast te
stellen rendement. Van de polarisatie-procenten van de suiker
wordt afgetrokken twee maal het bedrag van de glucose en vier
maal dat van de aschbestanddeelen van de suiker, terwijl ten
slotte van het aldus verkregen cijfer nog 14 pCt. afgetrokken
wordt voor raffinaderij-verlies. Nu dus alle verschil in kleur en
uiterlijk voorkomen geen gewicht meer in de schaal legde en
dus, wat den accijns betreft, de rietsuiker geen voordeelen boven
de beetwortelsuiker meer genoot, is eerstgenoemde in het geheel
niet meer op de Nederlandsche markt verschenen. Er werd in
het land zelf zooveel beetwortelsuiker gefabriceerd, - terwijl
België en Duitschland ook zooveel daarvan opleverden, dat het
        <pb n="74" />
        voor de raffinaderijen veel eenvoudiger en gemakkelijker was als
grondstof uitsluitend deze suiker te gebruiken. Alleen is er nu
en dan in jaren van schaarschte aan disponibele beetwortelsuiker
 eene kleine hoeveelheid ruwe rietsuiker voor de raffinage
ingevoerd, maar in hoofdzaak is er na de wet van 1884 in Nederland
 alleen ruwe beetwortelsuiker geraffineerd en in consumptie
 gekomen, zoodat wij ons na dat jaar uitsluitend met
deze soort van suiker behoeven bezig te houden.
Voor een groot gedeelte als een gevolg van de groote invoeren
 van Javasuiker, die de Nederlandsche raffinaderijen van
grondstof voorzagen, is de beetwortelsuikerfabrikatie in Nederland
 veel later ontstaan dan in de naburige rijken en het duurde
 daarna nog geruimen tĳd eer deze nijverheid van eenigszins
belangrijke beteekenis werd.
De officiele statistieken over de suikerproductie zijn niet te
vertrouwen, daar de hoeveelheid suiker, welke daarin vermeld
wordt, die is, over welke de belasting is geheven en die wijkt
soms veel, soms weinig, doch in ieder geval tot een of ander bedrag
 van de werkelijk geproduceerde af.
Sedert 31 Augustus 1858 werd namelijk de belasting geheven
 op grondslag van het aantal verkregen hectoliters diffusiesap
 en de graden Beaumé, die het bĳ 15° C. woog, waarbij
dan aangenomen werd, dat voor iederen graad Beaumé een
H.L. diffusiesap 1400 Gram witte suiker kon opleveren, die
dan met {27 per roo K.G.. werd belast. In 1863 werd dit
cijfer tot 1450 Gr. verhoogd ‚en in 1865 tot 1500, maar het
liet in ieder geval nóg een aanzienlijke marge over voor een
grooter rendement, zoodat steeds een dee] van de werkelijk verkregen
 suiker vrij van belasting bleef. Hoewel dit natuurlijk
niet met zekerheid is aan te geven, zegt men, dat in sommige
jaren die hoeveelheid, de zoogenaamde overponden, wel zo pCt.
van de totale productie uitmaakte, die dus in zulke jaren den
fabrikanten een premie van eenige millioenen guldens liet toevloeien.


Met het hier genoemde voorbehoud laten wij hier de cijfers
        <pb n="75" />
        van de Nederlandsche suikerproductie tot aan het jaar 1897
volgen, waarin weliswaar de cijfers van de suikerproductie
niet uit de officieele statistieken zijn overgenomen, maar uit
het werk van Paasche, ‚Die Zuckerproduction der Welt”, zijn
ontleend en daar zijn vermeld als berustende op taxaties van
betrouwbare statistici. Desniettegenstaande zĳn zĳ met de
meeste voorzichtigheid en alle voorbehoud te beschouwen.

Acute he Geprodufabrieken.
 Si rie
* wortelen. suiker.
tons. tons.
3.700
277.419  II.000 3.97 15.412
333.230 23.882 "18 17.107
31 313.852 23.537 7.51 10.124
30 594.800 44.851 7.55 19.826
30 773.444 69.887 g.00 25.781
30 732.212 70.000 9.56 24-407
20 420.910 40.000 9.52 14.030
30 749.720 68.000 9.07 24.990
30 758.152 72.000 9.49 25.271
30 737.786 80.000 10.85 24.592
30 1.129.462 103.000 9.12 37.648
30 1.742.500 156.000 8.95 58.083
In het jaar 1897 werd de belastingheffing volgens het volume
en de densiteit van het sap afgeschaft en de belasting van de
werkelijk geproduceerde suiker geheven, zoodat na dien tĳd de
hoeveelheden in de statistiek voorkomende suiker met de werkelijkheid
 overeenstemmen. De belasting bleef op {27 per 190 K.G.
staan voor witte suiker en voor ruwe werd zij met 27 cts. per
too K.G. berekend voor ieder percent rendement, dat zij volgens
 analyse en berekening geacht werd bij raffinage te kunnen
 opleveren. 1)

Suiker Gemiddelde
geprodu- verwerking
ceerdop van beetw.
100 per fabriek.
heetw, tons.

Y» Het rendement wordt berekend door van de polarisatie-procenten tweemaal
 de glucose en viermaal de asch af te trekken en de uitkomst met
11/4 pCt, te verminderen wegens berekend raffinage-verlies.
        <pb n="76" />
        j-Door

 deze regeling verviel natuurlijk de bedekte premie, die
in den lageren aanslag beneden de werkelijke opbrengst verscholen
 was geweest, en om den fabrikanten tegemoet te komen,
werd besloten hun een open premie op de productie toe te
staan.
Deze premie zou voor 1907/08 f2.50 per Too K.G. suiker
(op witte suiker berekend) bedragen, die uit de beetwortelsuikerfabrieken
 zou worden uitgeslagen tot een totaal bedrag
van 2.5 millioen gulden en deze zal ieder jaar worden verminderd,
 totdat zij in het jaar 1905/06 tot een bedrag van {1.30
per 100 K.G. met een totaal maximum van 1.8 millioen gulden
zal zijn gedaald. Wanneer de productie meer bedraagt dan met
het maximum totaal en de vastgestelde premie zou overeenkomen,
 dan wordt laatstgenoemde pondpondsgewĳze verminderd.
 ‘De raffinadeurs ontvingen in 1897/98 eene totale premie
van f500.000, die ook bestemd was geleidelijk te dalen, om na
1902/03 een totaal bedrag van {250.000 uit te maken met een
maximum premie van fo.19 per too K.G. suiker. Ook hier
wordt de premie pondpondsgewijze verminderd, wanneer het
bedrag aan te betalen premie het maximum zou overschrijden.
Volgens het in 1909 gepubliceerde rapport van de Commissie
 van onderzoek naar den toestand en de vooruitzichten van
de Nederlandsche Ruwsuikerindustrie is het bedrag van de
werkelijk betaalde premie per 100 K.G. witte suiker, gedurenle
 de jaren, dat zij gegeven is geworden, als volgt geweest :
Jaar Voor de Voor de
* ruwsuikerfabrieken. raffinaderijen.
f 2.237 f 0.295
„ 1.789 0.288
‚ 1.504 „ 0.221
‚ 1.378 „ 0.188
‚ 1.162 „ O.I5I
1.750 „ 0.131

n

Met 1 September 1903 vervielen, doordat Nederland tot de
Brusselsche Conventie toegetreden was, al deze premiën en
        <pb n="77" />
        werden de suikerindustrie en -raffinaderij, evenals dit in de naburige
 landen het geval was, geheel aan eigen kracht overgelaten.

Dat dit zeer goed mogelijk was, blijkt ten duidelijkste uit de
hier volgende tabel over de productie sedert het jaar 1907,
waarin te zien is, hoe na 1903, dus na het wegvallen van de
premiën, de Nederlandsche beetwortelsuiker-industrie haar productie
 deed toenemen, zoodat ook hier de Brusselsche Conventie
 de suikerindustrie tot een zegen. is geweest.
De in de volgende tabel gegeven cijfers omtrent de producie
 zijn uit de hoeveelheden ruwe suiker omgerekend op de
„asis van 100 pCt. en zijn dus direct met de daarachter vermelde
 consumptiecijfers te vergelijken.

Aantal Suiker  lender- Vomie.
Campagne. fabrieken productie 5 consumptie.
abr . tons. Jaar. K.G.

Consumptie
per hoofd
en per jaar
in K.G.
56.732.483 11.42
57.981.644 _ TI.SI
59.863.000 11.76
62.432.996 12.14
67.012.962 12.84
70 760.186 13.34
72.198.918 13.40
74.225.776 13.57
72.291.627 13.02
19.598.007 14.13
82.880.431 14.51
82.615.538 14.40
86.505.000 14.76
87.681.000 14.74

1897/98 .
1898/99 .
1899/00 .
igoo/01 .
1901/02 . .
1902/03 .
1903/04 .
1904/05 .
1905/06 .
1906/07 .
1907/08 .
1908/09 . 28
1909/10 . . 28
L9IO II 28

113.400 1897
135.000 1898
142.000 1899
160.490 1900
178.791 1QOI
95.498 1902
112.509 1903
124.551 1904
186.905 1905
164.508 1906
158.934 1907
199.549 1908
194.822 1909
216.886 1010

Het is wel te betreuren, dat Nederland, toen de premiën
kwamen te vervallen, niet het voorbeeld van Frankrijk, België
en Duitschland heeft gevolgd en het daardoor vrijkomende
bedrag niet heeft aangewend om een verlaging van den accijns
in te voeren. Hoewel het verschillende malen door de Regee-
        <pb n="78" />
        [7

ing in het vooruitzicht is gesteld, is de accijns na 1903 en
eigenlijk na 1858 niet verlaagd en bedraagt nog steeds het
0oge cijfer van f27 per 100 K.G. Met het oog op het hooge
consumptiecijfer per hoofd en de gestadige vermeerdering van
die concumptie schijnt de hooge accijns niet zeer sterk te worden
 gevoeld, maar toch is het aan geen twijfel onderhevig of
het suikerverbruik in Nederland zou nog zeer ‘sterk toenemen,
zoo de accijns op dit voedingsmiddel een aanmerkelijke verlazing
 zou ondergaan.
Het bruto en netto bedrag van den suikeraccijns, benevens
net bedrag van de tusschen 1897 en 1903 betaalde premiën is
voor de jaren na 1897 als volgt in guldens, terwijl de laatste
kolom het aandeel aangeeft, dat per hoofd van de bevolking
in de verschillende jaren aan den suikeraccijns is bijgedragen.

jaar.

1897 ..
1898 .
1899 . .
1900 .
Igor ,
1902 .
1903 .
1904 .
[905 .
1906 .
1907 .
1908 .
[909 . .
OIO .

Bruto opbrengst
van den Open premiën,
suikeraccijns.

15.317.770
5.655.044
16.164.362
16.856.666
18.093.500
19.105.250
19.493.460
20.040.959
[9.519.000
21.419.463
22.377.771
22.306.195
23.356.576
23.674.416

4.601.429
3.000.000
2.850.000
2.700.000
2.550.000
2.400.000
1.921.193

Netto opbrengst Aandeel per
van den hoofd van de
suikeraccijns bevolking in de
aa aftrek van &amp;gt;etaling van den
de premie, suikeraccijns
in guldens,

10,716.341
12.655.044
13.314.362
14.156.666
5.543.500
6.705.250
17.572.266
20.040.959
19.519.000
21.491.463
22.377.771I
22.306.195
23.356.576
23.674.416

3-09
3.11
3.185
3.28
3-45
3-63
3.645
3.66
3.52
3.82
3.91
3-83
3:99
2.098
        <pb n="79" />
        BELGIE.

De beetwortelsuikerindustrie in België dateert van het jaar
t840 ongeveer, toen op zeer kleine schaal suikerfabrieken werden
 opgericht. In het jaar 1843 bedroeg het aantal suikerfaoriekjes
 reeds 31, en men kan zich een denkbeeld van hun
geringen omvang vormen, wanneer men bedenkt, dat de totale
oroductse van al deze ondernemingen in datzelfde jaar niet
meer dan zooo ton suiker bedroeg. In bet jaar 1860 was hun
aantal reeds tot 65 geklommen, in 1870-71 tot 152 en het
maximum werd in het jaar 1872-73 met een getal van 174
suikerfabrieken bereikt. Een aantal daarvan verdween weer
van het tooneel, terwijl vele kleine zich tot enkele groote fabrieken
 vereenigden, zoodat in 1884-85 bij den aanvang van de
groote suikercrisis nog slechts 150 fabrieken in België werkten,
 welk aantal spoedig daarop nog een groote vermindering
onderging.
Het is zeer moeilijk een goed beeld te geven van de producie
 van de suikerfabrieken, daar, evenals dit bij de beschouwing
 van de Nederlandsche suikerindustrie aangegeven is, ook
in België de belasting werd geheven naar het volume en de
densiteit van het diffusiesap, zoodat alleen een berekende en
geen geconstateerde suikerproductie in de boeken werd opge-2omen.
 1)
Volgens de berekeningen van Fr. Sachs kan men aannemen
dat de hier volgende staat zoo goed mogelijk de productie in

) Vele van de hier genoemde cijfers zijn ontleend aan Paasche, Die
Zuckerpvoaucton der Wel.
        <pb n="80" />
        tonnen van de Belgische suikerindustrie van 1893-94 tot het
jaar 1902-03 aangeeft. De cijfers van de voorgaande jaren
zijn die, welke voor den aanslag voor de belasting gediend hebben,
 en die zĳn zeker te laag, hoewel een juiste maatstaf om
de grootte van de afwijking na te gaan, ontbreekt.
1883/84 . 106.586 1893/94
1884/85 88.463 1894/95
1885/86 48.420 1895/96
1886/87 91.TIQ 1896/97
1887/88 93.572 1897/98
1888/89 95.804 1898/99
1889/90 173.043 1899/00
1890/97 159.115 1900/01
1891/92 . 140.377 1901/02 . .
1892/93 . . . 143.699 1902/03 .
Bj de wet van 1843 werd eene belasting van frs. 20 Der Too
K.G. ruwe suiker gelegd en daarbij aangenomen, dat t H.L. sap
per graad Beaumé 1200 Gram suiker zou opleveren. In het
jaar 1846 werd dit bedrag tot 1400 Gram verhoogd en in 1849
werd bepaald, dat de suikerbelasting minstens per jaar 6 millioen
 francs zou moeten opbrengen. Wanneer er in eenig jaar
te weinig zou ontvangen worden, dan werd het ontbrekende
over de verschillende fabrieken in evenredigheid met hun productie
 omgeslagen. In het jaar 1866 werd het bedrag aan belastbare
 suiker wederom verhoogd en op 1500 Gram ruwe suiker
 per graad en per hectoliter vastgesteld, terwijl gaandeweg
de belasting zelve op 45 francs voor ruwe en frs. 5.13 voor
too K.G. geraffineerde suiker werd gebracht.
Na 1 Juli 1889 werd het belastbare rendement nogmaals
stelselmatig verhoogd en wel als volgt:
Vóór 1 Juli 1889 . . .
Van 1 Juli 1889—1 Juli 1890
1 Juli 1890—1 Juli 1896
1 Juli 1896—1 Juli 1898
‚ 1 Juli 1898—1 Juli 1899.
Na 1 Juli 18009 . .

1500 GI. ruwe suiker.
1650
1700
1750
1900 ,
2000
        <pb n="81" />
        Het Rapport dat in 1go9 door eene Nederlandsche Commissie
 uitgebracht werd, zegt hierover het volgende:
Uit den te lagen aanslag, berekend naar de hoeveelheid en
de dichtheid van de te verwerken sappen, ontstond eene belekte
 indirecte premie. Het spreekt vanzelf, dat zij verschilde
al naar het suikergehalte van de beetwortelen en de reinheid
van het sap in de verschillende werkjaren, in verband met de
neer of minder volmaakte bewerktuiging der fabrieken. De zoogenaamde
 accijnsvrije overponden (excédents de rendement)
&amp;lt;onden echter gemiddeld gerust op 10 pCt. van den aanslag
gesteld worden. De premie voor 1889-90 werd geschat op
f3.67 per 100 K.G. suiker en voor 1890-91 op f3.13. Vóór
t September 1897 bedroeg dus de premie, bij een aanslag van
1750 Gram suiker van 88 rendement voor elken hectoliter sap
van 1 Gram dichtheid en een werkelijke opbrengst van 2090 Gr.,
ongeveer frs. 8.22 per 100 K.G. suiker van too pCt. gehalte.
Na dien tĳd kan zij gesteld worden op frs. 4.595 per 100 K.G.
suiker van 100 ‘pCt. gehalte, bij een aanslag als boven van
rgoo Gr. suiker van 88 pCt. en eenzelfde werkelijk rendement.
De Association Internationale pour la Statistique Sucrière
schatte de premie voor het werkjaar 1897-98 op frs. 4.53 per
‘00 K.G. suiker van 89 pCt. rendement, geljkstaande met
rs. 5.09 per 100 K.G. van 100 pCt. gehalte.
Tusschen de beetwortelsuikerfabrikanten en de raffinadeurs,
welke laatste ten getale van 5 of 6 met elkander een syndicaat
zormden, bestond tot het jaar 1899 eene overeenkomst, volgens
welke zij in verband met de overponden de certificaten van uitvoer
 van de fabrikanten kochten tegen den vasten prijs van
95 pCt. van den accijns. Dientengevolge is het niet juist aan
‘e geven, welk totaal bedrag van de premie door de beetwor-'elsuikerfabrikanten
 genoten werd.
De binnenlandsche prijs van de geraffineerde suiker werd
loor de raffinadeurs opgevoerd, zoover de surtaxe het toeliet.
De surtaxe of het bedrag, dat van buitenslands ingevoerde
suiker boven den accijns te betalen had, had oorspronkelijk
        <pb n="82" />
        15 pCt. van het recht bedragen, maar werd in 1895 op Io
pCt., dus op frs. 4.50 per 100 K.G. ruwe suiker van 8809, vastgesteld.
 |
In Januari 1902 werd nog boven de bedekte premie een open
productiepremie ingevoerd van frs. 2 voor elke 100 K.G. suiker,
 waarover aanslag plaats vond, echter met deze beperking,
dat het totaal van de premie het bedrag van frs. 5.000.000
niet mocht te boven gaan. Wanneer de hoeveelheid, voor welke
aanslag plaats had, meer bedroeg dan 250.000 ton, dan zou de
premie per 100 K.G. in evenredigheid worden verminderd.
Deze premie werd, terwijl de onderhandelingen over de Suikerconventie
 werden gevoerd, ingesteld en gold alleen voor de
campagne 1902-03. Met 1 September 1903 verviel de open
premie en, daar de belasting ook hier over het ware bedrag
van geproduceerde suiker geheven werd, ook de bedekte premie
en was de Belgische suiker geheel vrij en op eigen voeten gesteld.
Terzelfder tijd werd nu echter de accijns van frs. 51.13 teruggebracht
 tot frs. 20 per 100 K.G. witte suiker, terwijl er
van buitenslands ingevoerde suiker nog een surtaxe van Îrs. 5.50
per 100 K.G. suiker van iedere descriptie werd geheven.
De Belgische suikerindustrie kwam dus, evenals die van alle
naburige staten, op eigen wieken te drijven, terwijl de surtaxe
 op de buitenlandsche suiker een instroomen van consumptiesuiker
 van buiten verhinderde. Niettegenstaande dat dus alle
protectie verviel, is de industrie er niet slechter om gevaren
en ook de raffinaderijindustrie heeft kans gezien om voortdurend
 groote hoeveelheden geraffineerde vreemde. en eigen suiker
 naar het buitenland, voornamelijk naar Groot-Britannië,
uit te voeren.
De productie van suiker, berekend als ruwe suiker, heeft van
het begin van de Brusselsche Conventie tot den huidigen dag
deze hoeveelheden in tons bedragen:

1903/04 .
1904/05 .
1905/06 .
tgo6/07 .

199.200 1907/08
176.466 1908/09 .
328.770 1909/10 .
282.804 IQIO/II .

232.352
258 339
248.403
283.223
        <pb n="83" />
        2

terwijl het netto bedrag, dat de schatkist uit de suikerbelasting
ontving, sedert 1890 in francs als volgt was:
1890 . 6.486.000 Igo0 .
891 . 6.002.000 rgor .
892 6.306.000 1902 .
1893 . 6,020.000 1903
1894 . 6.527.000 1904
1895 6.500.000 1905
896 . 6.505.000 1906
1897 . 6.061.000 1907
:898 . . .  5.000,000 1908 .
8099 — 6.164.000 1909 .

De meeste geconsumeerde suiker betaalt den vollen accijns
van fÍrs. zo per 100 K.G., zoodat uit de netto opbrengsten van
Je belasting in de jaren na 1904 een vrij goede conclusie om-Irent
 het suikerverbruik kan worden gemaakt. Er bestaat echter
 nog eene bepaling in België volgens welke suiker, die voor
de fabriekmatige bereiding van gecondenseerde melk, jams en
dergelijke voedingsartikelen gebruikt wordt, vrij van belasting
s, mits de ondernemingen, waarin deze verwerkt wordt, een
zeker minimum per jaar opgebruiken en de kosten van het
Jouanetoezicht betalen.
De hier bedoelde bepaling kwam in Augustus 1897, dus nog
onder het toen vigeerende hooge recht, en de hoeveelheden suizer,
 die toen van de vrijstelling profiteerden, waren in de volzende
 jaren voor confiturenbereidine :

Kilo.
1898. . . 3.545.829 1901. . . . 3.519.737
1899. . . . 3.482.178 1902. . . . 4.251.253
900. . . 3.213.298 1903. . . . 4.475.506
Toen in 1903 de suikerbelasting verminderd werd, nam ook
de hoeveelheid voor vrijstelling in aanmerking gebracht wordende
 suiker voor de bereiding van confituren een weinig af.
terwijl die voor andere doeleinden vermeerderde :
        <pb n="84" />
        1903/04 .
1904/05 .
1905/06 .
1906/07 .
1907/08
1908/09 . .
1909/10 . . . .
tgIo/II . .

Voor
onfituren.
Kilo.

3.674.551
2.446.392
3.480.437
3.656.489
3.283.155
3-351-790
3.352.132
3.889.000

Voor Voor Vv
oor
ngemaakte gecondenseerde eG
groenten, melk. e. 1
Kilo. Kilo. vo
16,910 31.236 304.315
TL.534 39.906 149.900
77.345 97.545 175.505
za 45-713 235.124
22.562 14.779 420.800
22.073 20.993 693.812
28.914 19.419 483.318
63.000 26.000 456.000

Was vóór het jaar 1903 de consumptie in België een vrij
onbekende factor, zoo is deze, natuurlijk na het tijdstip van de
belastingheffing volgens het ware gewicht van de suiker, met
nauwkeurigheid bekend geworden en bedroeg in de jaren na het
tot standkomen van de Conventie in witte suiker:

1903/04.
1904/05.
1905/06.
1906/07.
1907/08.
1908/09.
1909/10.
[QIO/II.

Totaal. Per hoofd.
Ton. K.G.
83.000
71.700
92.400
73-471
91.982
96.521
[00.072
110.104
        <pb n="85" />
        dj

SPANJE.

Ten tijde, dat Spanje nog in het bezit van zijne suikerproduceerende
 koloniën was, die door het moederland tegenover de
Europeesche industrie begunstigd werden, was de toestand van
de suikerindustrie, die tot het jaar 1886 uitsluitend rietsuiker
produceerde, in dat land niet zeer gunstig en de jaarlijksche
suikerproductie bedroeg gemiddeld slechts 35.000 ton.
De invoer aan suiker bedroeg in de laatste zo jaren vóór
:902 deze hoeveelheden van de volgende herkomst in tons, terwijl
 de uitvoer zeer gering was en nooit boven enkele tonnen
steeg.
faar.

Jit Cuba en
Portorico.
18.204
23.201
43-747
49.535
46.969
43-827
48.043
12.100
47.718
12.008
20.947
37:345
40,706
33.190
25.285
7.817
7.993
104
z4

Uit de
Philippijnen
7421
8648
4162
5281
4403
4579
3841
3273
1870
2844
2829
3987
5299
3618
2752
29

Uit andere
landen.
18 899
22.145
5.175
2.715
1.387
429
218
852
731
1636
1679
1263
924
923
{9

Totaal.

1883.
1884.
1885.
1886.
1887.
1888.
1889.
890.
1891.
1892.
1893.
1894.
(895.
1896.
1897.
1898.
1899.
[900.
[9OI. .
[002.

44525
53-994
53-084
57:567
52.759
48.835
54-102
76.225
50.319
76.488
25.455
42.594
46.929
37-732
28.065
i4 8.130
299 8.299
344 448
71 95
36 64
        <pb n="86" />
        In het jaar 1892 was de belasting op suiker vastgesteld in
peseta’s per 100 K.G.:
Vreemde suiker 50.
Suiker uit Spaansche koloniën 33.50.
Accijns op in Spanje bereide suiker zo.
In het laatste geval werd een rendement van 5 pCt. uit beetwortelen
 en uit riet als grondslag voor ‘de belasting aangenomen,
 zoodat er bij een mooie surtaxe van 30 en 3.50 peseta’s
per 100 K.G. nog een zware premie aan de Spaansche suikerfabrikanten
 toegestaan werd, doordat zij veel meer dan 5 PCt.
:endement uit hun grondstof konden winnen, Desniettegenstaande
 nam de suikerindustrie niet sterk in omvang toe. Het
gedeelte van Spanje, dat voor rietsuikerkultuur geschikt is, beslaat
 een klein deel van Andalusië en wel dat, wat tusschen Alme-‘ia
 en Gibraltar gelegen is, terwijl de beetwortelsuikerindustrie
ook nog slechts schoorvoetend tot uitbreiding overging. In het
jaar 1886 bestonden er in de nabijheid van Grenada en Cordova
 twee fabriekjes, welk aantal in 1890 weliswaar reeds tot
II was gestegen, doch hunne totale productie was en bleef onbeduidend,
 zoolang de aanvoeren van de Spaansche koloniën
het land van suiker bleven voorzien. Toen evenwel Spanje na
den ongelukkigen oorlog tegen de Vereenigde Staten Por-:orico
 en de Philippijnen moest afstaan en Cuba als
onhankeljken staat erkende, verviel alle reden om de
voormalige koloniën nog verder begunstigingen toe te
staan en in het jaar 1899 werd het invoerrecht op alle
van buitenslands ingevoerde suiker op 85 peseta’s per zoo K.G.
gebracht en de accijns op in het binnenland voortgebrachte op
25, zoodat er eene surtaxe van niet minder dan 60 peseta’s per
too K.G. werd toegestaan. Deze verhinderde, gelijk dan ook
uit de boven opgenomen tabel blijkt, allen invoer van buitenslands
 en gaf een krachtigen stoot tot ontwikkeling van de eigen
suikerindustrie. Gelijk wij reeds vermeldden, is de rietsuikerindustrie
 niet voor verdere uitbreiding vatbaar, zoodat de ver.
meerdering van de eigen productie alleen aan de beetwortelsuiker-
        <pb n="87" />
        1“

industrie ten goede kwam. Met behulp van het uit de verloren
gegane koloniën teruggestroomde kapitaal werden, vooral in
Andalusië, maar ook in andere streken, uitgestrekte oppervlakten
 met beetwortelen beplant en fabriek na fabriek gebouwd,
die alle zeer groote winsten behaalden. Daardoor aangelokt
begonnen ook andere ondernemers, waaronder velen op zeer ongeschikte
 plaatsen, met den suikerbietenbouw, zoodat weldra
het land zelf in zĳn eigen behoefte aan suiker kon voldoen en
er, aangezien de uitvoer onmogelijk was, overproductie intrad.
In het jaar 1903 waren er 50 beetwortelsuikerfabrieken, 52
groote rietsuikerfabrieken, 15 molens voor rietsuikerstroopbereiding,
 TT raffinaderijen en 2 fabrieken voor sorghumsuiker
en glucose.
De suikerfabrieken hadden een gezamenlijke capaciteit van
175.000 ton per jaar, terwijl de consumptie het cijfer van
go.000 ton niet overschreed. Er kwam dus òf overproductie
met een zeer gevoelige prijsdaling òf de fabrieken konden slechts
met halve kracht werken, welke beide omstandigheden hun toestand
 zeer hachelijk maakten. De prijzen daalden dan ook zoodanig
 en de zelfkosten stegen ook dermate, dat het zoo korte,
schitterende tijdperk van groote winst voor een daaropvolgend
en langdurig tĳdperk van verlies plaats maakte.
In dien moeilijken tĳd kwam na langdurige onderhandelingen
eene vereeniging van suikerproducenten, onder den naam van
Sociedad General Azucarera de Espafa, tot stand, aan welke
43 beetwortelsuikerfabrieken, 13 Tietsuikerfabrieken en 1 3 molens
 medededen. Er werd besloten met 40 en eventueel met
35 fabrieken door te werken en ter vereenvoudiging van het
beheer werd het land in 4 zônen (Centrum, Andalusië, Noord-Oosten
 en Noord-Westen) verdeeld; verder werd de zaad- en
mestverdeeling onder de beetwortelleveranciers geregeld en eene
maatschappij voor den verkoop van de melasse opgericht. Op
deze wijze meende men de productie in de hand te hebben en
in overeenstemming met de behoefte te houden; verder dacht
men het suikergehalte van de beetwortelen door verstrekking
        <pb n="88" />
        1

van uitgezocht zaad te verhoogen, daardoor de productiekosten
van de suiker te verminderen en een gezonden, blijvenden toestand
 van voorspoed in het leven te roepen. Dit bleek evenwel
niet zoo gemakkelijk te gaan; vooreerst waren er een aantal
tabrieken, voornamelijk rietsuikerfabrieken, buiten de combinatie
 gebleven en verder richtten een aantal vroegere eigenaars,
die hun bezitting aan de Sociedad hadden verkocht, met die
kooppenningen concurreerende fabrieken op. Niettegenstaande
de beperking van de productie, die door het stil zetten van een
aantal aan de Sociedad General behoorende fabrieken was veroorzaakt,
 nam door het productievermogen van de buitenstaan-Je
 ondernemingen de suikervoortbrenging dermate toe, dat zij
de consumptie bleef overtreffen en in 1904 34 meer suiker
voortbracht dan de geheele jaarconsumptie bedroeg. Eene DOging
 aangewend om het overschot naar Engeland uit te voeren,
mislukte door het protest van de Belgische Regeering op grond
van de Brusselsche Conventie, die de deelnemers verplichtte
een strafinvoerrecht te heffen op de door premiën beschermde
suiker uit de landen, die, zooals Spanje, niet tot de Conventie
zijn toegetreden. Volgens besluit van de Permanente Commissie
bedroeg toen ter tijde dit te heffen strafinvoerrecht 27 {francs
»er 100 K.G. en is sedert eerst tot 22 frs en nu onlangs tot
(9.5 frs. verminderd, zoodat iedere invoer van Spaansche suiker
 in een tot de Conventie toegetreden rijk onmogelijk werd.
Na een lang tijdperk van onderhandelingen tusschen de Soziedad
 General, de vrije fabrieken en de Regeering is men in
907 tot een overeenkomst gekomen, waarbij de consumptie-Jelasting
 tot 35 peseta’s werd verhoogd en de oprichting van
een nieuwe suikerfabriek binnen een rayon van 8o K.M. van
iedere bestaande fabriek werd verboden. F abrieken, die gedurende
 vijf achtereenvolgende jaren niet gewerkt hebben, wor-Jen
 beschouwd niet meer te bestaan. Verder stelt de Regeering
in overleg met de fabrieken voor ieder jaar voor velke fabriek,
naar gelang van hare capaciteit, de productie vast. Produceert
een fabriek in een jaar meer dan het voor haar vastgestelde
        <pb n="89" />
        pi €

bedrag, dan wordt dat meerdere in een volgend jaar in mindering
 gebracht.
Met 1 Augustus 1911 werd de suikeraccijns op 37.5 peseta’s
per 100 K.G. verhoogd en werden eenige bepalingen omtrent
de oprichting van nieuwe fabrieken binnen den kring van 80
K.M. straal van een bestaande gewijzigd, doch overigens onderging
 de Spaansche wetgeving op suiker geen verandering.
In het jaar 1970 bestonden er in Spanje 51 beetwortelsuikerfabrieken,
 21 rietsuikerfabrieken en 13 molens voor rietsuiker,
waarvan er respectievelijk 18 en to gewerkt hebben. 41 beetwortelsuikerfabrieken
 en 11 rietsuikerfabrieken behooren aan
de Sociedad General en de overige zĳn vrije ondernemingen.
Van de 51 beetwortelsuikerfabrieken liggen er 14 in Granada,
9 in Zaragoza, 4 in Malaga, terwijl de overigen verdeeld zijn
over Navarra, Madrid, Valladolid, Soria, enz. Het suikerriet
groeit alleen in Granada, Malaga en Almeria.
De suikerproductie, consumptie en het door de suikerbelasting
 ontvangen bedrag zijn voor de laatste jaren in achterstaan-Jen
 staat te zamen sevat.

faar.

1899. .
1900. .
1901. .
1902. .
1903. .
1904. .
1905. .
rgo6.
1907.
1908. .
1909. . . .
IO9OIO, . . .

Productie
van
rietsuiker.

30.225
33.815
28,002
16.980
21.677
22.175
28.820
15.722
16.093
14.057
21.669
18.8cI

Productie
van
beetwortel.
suiker.

32.984
60.703
59.509
67.343
94.922
78.737
68.963
81.512
94.972
(08.342
85.930
86.147

Totale
suikerproductie.


63.209
94.518
87.5IT
84.323
116.599
100.912
97-783
97.234
111.065
122.399
107.599
104.998

Consumntie,


Bedrag van
ontvangen
accijns in
millioenen
pescta’s.

84.600 12,5
84.700 19.3
87.700 21,1!
95.900 23.4
88.300 22.7
96.500 23.6
106.000 26.2
102.600 26.7
96.500 32.4
94.300 33,8
        <pb n="90" />
        3)

Waar in de eerste jaren na de oprichting van de beetworielsuikerfabrieken
 de consumptie vrijwel aan de productie gelijk
 was, zoodat er geen groote overschotten aan suiker overbleven
 en de fabrikanten dus al hun product tegen den hoogen
 prijs in het binnenland konden afzetten, veranderde dit
na 1902 en van toen af is de hoeveelheid onverkochte suiker
'n Spanje steeds aanzienlijk gebleven. Op 31 December 1900
was de suikervoorraad in Spanje 52.000 ton groot en is langzamerhand,
 doch gestadig, toegenomen, om op 31 December
tgog zelfs het bedrag van 114.800 ton te hebben bereikt. Wanneer
 er dus in dat land een geheel jaar geen suiker zou wor-Jen
 bereid, dan was de voorraad aanwezig product nog ruim
voldoende om ‘het zonder invoer van buiten te kunnen doorkomen.
 Door de zeer hooge productiekosten is het onmogelijk de
suiker op de wereldmarkt te brengen, de hooge verbruiksbelasing
 van 37.5 peseta’s per 100 K.G. houdt in Spanje met zijn
weinig koopkrachtige bevolking de suikerconsumptie laag (onzeveer
 4.5 K.G. per hoofd per jaar), zoodat de positie van de
suikerindustrie waarschijnlijk in de. eerstvolgende jaren eene
wijziging zal dienen te ondergaan, om niet onder de overpro-Juctie
 al te zwaar te lijden. Er worden voortdurend onderhandelingen
 gevoerd tusschen de Regeering en de suikerfabrikanten,
 maar aangezien zeer onlangs de suikeraccijns van 35 tot
37.50 peseta’s verhoogd is geworden, schijnt men de oplossing
iet in de zoo voor de hand liggende verhooging van de binaenlandsche
 consumptie te zoeken.
        <pb n="91" />
        VIIL

ITALIE.

De beetwortelsuikerindusirie in Italië dateert van 1880, in
welk jaar er ongeveer too ton suiker werden geproduceerd; in
de eerste jaren nam de productie zeer langzaam toe en bedroeg
in 1890 slechts 636 ton, om van dat tijdstip af eerst langzaam
en na 1900 zeer snel te stijgen. De accijnsregeling en de daardoor
 teweeggebrachte bescherming werkten daartoe krachtig
mede, maar desniettegenstaande is het nog niet gelukt de vrij
geringe eigen consumptie door binnenlandsche productie te
dekken, gelijk uit onderstaande tabel volgt:
Productie, Consumptie. Cons] pie Aantal
Ton. Ton. KG. fabrieken.
2.01

1889/90 .
1890/91 .
89/92.
1892/03 .
1893/94 .
(894/95 .
1895/96 .
1896/97 .
1897/98.
1898/99 .
1899/00 .
1900/or .
1901/02.
1902/03.
1903/04 .
1904/05 .
1905/06 .
1906/07 .
1907/08 .
1908/09 .
1909/10. ,
IQIO/II. ,

536
188
[572
r.065
1.147
2.098
2.647
2.279
3.877
5.972
23.115
60.125
74.298
95 409
130.000
74.831
93.916
106.383
135.965
165.312
110.795
170.000

86.524
85.780
34.439
82.946
78.909
76.564
76.163
70.479
78.034
81.309
89.264
100.089
99.411
105.480
107.120
107.200
108.086
111.087
122.820
129.064
144.607

2.45

2,57
2.80
3.02
3.00
3-25
3.30
3.30
3.39
3.46
3:74
3.82
4.13

4
33
34
3
3
32
32
32
33
20
        <pb n="92" />
        1

De suikerwetgeving in Italië onderscheidt 2 soorten suiker,
die van klasse I boven No. 20 Hollandschen standaard en klasse
IE beneden No. 20, en men hief tot 1911 een invoerrecht van
99 en 88 Lire goud respectievelijk van eerste en tweede klasse
suiker.
Van de in het land zelf geproduceerde suiker werd een
accijns geheven van respectievelijk 70.1 5 en 67.20 Lire papier
per 100’ K.G. suiker en als basis van de berekening werd het
volume en de densiteit van het sap aangenomen, waarbij men
rekende, dat iedere H.L. diffusiesap per graad een hoeveelheid
 van 2000 Gram suiker zou opleveren.
In de jaren van den opbloei van de suikerindustrie was in
Italië het agio tusschen goud en papier vrij belangrijk, zoodat de
fabrikanten een driedubbele bescherming genoten, vooreerst
door de accijnsvrije overponden tengevolge van een te lagen aanslag,
 ten tweede door de nominale surtaxe en ten derde door het
goud-agio, zoodat het niet te verwonderen is, dat de industrie
sterk uitbreidde. Later, toen de financiën van het TItaliaansche
Koninkrijk in een meer gunstigen toestand kwamen, verdween
het agio en daardoor ging dat gunstige verschil verloren, maar
de beide andere redenen bleven bestaan en gaven den Italiaanschen
 producent een grooten voorsprong boven den buitenlandschen
 importeur.
Het zeer hooge invoerrecht en de hooge accijns maakten den
Prijs van suiker hoog en verhinderden een sterke uitbreiding
van de consumptie, die nu ongeveer 4 K.G. per hoofd en per
jaar bedraagt. Ten einde die te vermeerderen, stelde de Re
geering in 1909 voor de surtaxe langzamerhand te doen verminderen,
 en wel volgens deze schaal:
Tegenwoordige surtaxe. Lire. Te Lie
ve 2885 20 18 IS
20.80 16 14.75  I2

I klasse . .
U klasse

De suikerfabrikanten verzetten zich hevig tegen deze verla
ging en beweerden, dat zij in de concurrentie met hunne Oos.
        <pb n="93" />
        tenrijksche mededingers in het nadeel waren door het lage suikergehalte
 van de Italiaansche beetwortelen en dus de bescherming
 niet konden missen. Het wetsvoorstel werd daarop ingetrokken
 en een ander ministerie zag een wetsvoorstel aangenomen,
 waarbij integendeel de suikerbelasting nog verhoogd
werd, zoodat de consumptie eerder zal afnemen dan vermeerderen.

Van 1 Juli 190 af werd de accijns op I klas suiker verhoogd
 van 70.15 L. tot 72 en verder ieder jaar op denzelfden
datum weer met 1.25 L. tot 1974 toe, zoodat de totale verhooging
 6.85 zal bedragen. De accijns op suiker II klas volgt dezelfde
 beweging en blijft steeds 3 Lire per 100 K.G. onder
dien van de I klasse. Het invoerrecht blijft op dezelfde hoogte
gehandhaafd en daardoor daalt toch de surtaxe op den duur
met 6.85 L. per too K.G., maar blijft toch nog een goed eind
boven het door de Brusselsche Conventie vastgestelde maximum.
 Zoolang Italië zijn wetgeving niet met de besluiten van die
Conventie in overeenstemming brengt, mag de Italiaansche suiker
 dus niet zonder strafrecht te betalen in de tot de Conventie
toegetreden rijken worden ingevoerd. Vooreerst bestaat daartoe
 dan ook geen kans, aangezien er nog steeds vrij veel suiker
van buitenslands ingevoerd wordt.
De invoer was als volgt verdeeld in tons:

Uit Oostenrijk . .
Frankrijk . .
andere landen

#

Totaal.

Uit Oostenrijk . .
Frankrijk .
Engeland . ,.
andere landen . . .
Totaal . . .

I klas.
1907. 1908. 1909. 1910.
1.759 3402 8717 4.793
1.179 804 1.163 974
543 107 950 114
9.281 4.113  10,302 5.881
II klas.
11,885
1.210
998
364

4.456 583 LOIS 666
        <pb n="94" />
        Y

ZWEDEN.

Reeds in het jaar 1839 werd er op het Zweedsche eiland
Schonen eene poging aangewend om beetwortelsuiker te produceeren,
 doch het gehalte van de grondstof aan suiker was zoo
bedroevend klein, dat de poging weldra opgegeven werd en
het ruim 25 jaar duurde eer men in Zweden weder tot beetwortelsuikerfabrikatie
 overging. In het jaar 1870 werd er weder
 een suikerfabriek opgericht, maar hoewel er wel eenige sui
ker voortgebracht werd, bleef de suikerindustrie op zeer kleine
schaal bestaan en breidde zich eerst sedert 1883 merkbaar uit.
Er bestond een invoerrecht op suiker van 33 kronen per 100
K.G. raffinade en van 23.5 kr. voor ruwe suiker en de binnenlandsche
 productie was onbelast, totdat in 1893 accijns op
in Zweden geproduceerde suiker geheven werd tot een bedrag
van de helft van het invoerrecht. Als grondslag voor de belastingheffing
 werd het gewicht der verwerkte beetwortelen aangenomen,
 en verondersteld, dat daaruit 1o4 pCt. rendement
zou verkregen kunnen worden. Dat cijfer van 104 pCt. was
alleen voor de reeds bestaande fabrieken aangenomen en voor
nieuw opgerichte ondernemingen, die minstens 30 K.M. van een
reeds bestaande suikerfabriek mochten worden gevestigd, was het
voor de eerste 3 jaren op 8}, dan gedurende 2 jaren op 9%
en eerst daarna op het volle bedrag van 10} pCt. vastgesteld.
In het jaar 1900. vervielen alle uitzonderingen en was het belastbare
 rendement over het geheele land op 12 pCt. bepaald.
Bij uitvoer had geen restitutie van den accijns plaats, zoodat er
        <pb n="95" />
        geen sprake van was, dat Zweden suiker zou kunnen exporteecen,
 ook al wanneer de binnenlandsche consumptie een overschot
 zou overlaten.
De suikerindustrie in Zweden genoot dus eene goede bescherning,
 doordat vooreerst het invoerrecht het dubbele bedroeg
an den nominalen accijns en dus reeds een mooie surtaxe gaf,
en bovendien slaagde men er in beetwortelen van zoo hoog geaalte
 en rendement te telen, dat de werkelijke opbrengst steeds,
9ok na de verhooging tot 12 pCt., een goed eind boven de wetelke
 bleef en dus een accijnsvrij excedent gaf.
De suikerindustrieelen vereenigden zich tot ééne. groote maatschappij,
 die de productie en de distributie regelde en uit de
surtaxe en het excedent ten koste van de binnenlandsche consumenten
 de meeste voordeelen trok.
Ten einde deze voordeelen te verminderen, werd in 1906
de accijns van suiker verlaagd tot 13 kronen per too K.G.
voor ruwe en 16 kronen voor geraffineerde suiker, terwijl het
invoerrecht op 113 en 17 kronen voor deze kwaliteiten werd
vastgesteld. Tevens werd de accijns niet meer geheven op den
maatstaf van het gewicht aan beetwortelen en een vast rendement,
 maar van het gewicht aan werkelijk geproduceerde suiker.
 Later werd nog besloten het invoerrecht een weinig te verminderen
 in dier voege, dat het invoerrecht van witte suiker op
14 kronen per 100 K.G. zal gebracht worden en de verbruikselasting
 zoowel van eigen als van vreemde suiker in 1908-1910
5 kronen zal bedragen, in 1911 154 en in. 1gr2 16 kronen per
too K.G. suiker van iedere descriptie. Deze bepaling is nog
steeds in strijd met de voorschriften van de Brusselsche Conventie,
 waartoe dit rijk reeds van den aanvang af was toegetreden,
 maar daar Zweden nog geen suiker uitvoert, behoeft deze
regeling niet veranderd te worden. Zweden kan dus geen suiker
aar buiten uitvoeren en om die reden heeft dan ook de Zweedsche
 suikermaatschappij, om prijsdaling door overproductie te
voorkomen, voor den oogst 1911-12 de met beetwortelen beplante
 oppervlakte met 20 pCt. ingekrompen, zoodat in het
        <pb n="96" />
        A

volgende jaar de consumptie de productie wel aanmerkelijk zal
Ïvertreffen.
De volgende tabel geeft de suikerproductie, de consumptie
°n het aantal suikerfabrieken van Zweden aan:

1883/84
1884/85
1885/86
1886/87
1887/88
1888/89
1889/90
1890/91
1891/92
1892/93
1893/94
1894/95
1895/96
1896/97
1897/98
1898/99
1899/00
1900/01
1907/02
1902/03
1903/04
1904/05
1905/06
1906/07
1907/08
1908/09
1900/10

Jaar Aantal Productie
* fabrieken. in tonnen.

2.953
4-299
3.919
3.807
9.176
8.881
4.625
20.631
26.842
29.920
43.167
72.890
57.512
105.556
88.935
59.316
80.811
114.734
125.948
72.444
107.199
84.038
21.404
162.396
111,446
136.694
126.272

3

7

eb

Q

9

OQ

0

0

(

0

0
20

21

2]

Rendement op
100 beetw.

7.81

9.II
9.06
10.30
10.98
r0,3I
10,69
9:45
10.32
0.78
10.80
11.60
11.75
11.86
12,42
12,33
12.99
13.09
13.94
14.53
14.33
15,01
14.72
15.78
14.45
15.04
[4.07

Consumptie
in tonnen.

72.298
72.164
91.313
86.046
90.853
97.506
100.999
106.005
107.689
110.824
108.530
118.494
127.276
128.819
127.555
131.185
        <pb n="97" />
        RUMENIE.

Ten einde in Rumenië eene beetwortelsuikerindustrie te vestigen,
 werd er in het jaar 1873 eene wet aangenomen, die gelurende
 zo jaren vrijdom van alle rĳks en plaatselijke belas-‘ingen
 waarborgt aan op te richten beetwortelsuikerfabrieken
en ook de voor hun opbouw en onderhoud benoodigde machinerieën
 vrijdom van invoerrecht belooft. Naar aanleiding van
deze zeer gunstige bepalingen werden er twee fabrieken opgericht
 en wel een in 1874 en een in 1878, maar veel resultaat
had de hier bedoelde aanmoediging evenwel niet. Daarom werd
in 1882 besloten gedurende 15 jaren van regeeringswege een
premie van 16 centimes te betalen voor iedere 100 K.G. in het
and geproduceerde suiker, en toen deze premie in 1896 weder
voor 15 jaren werd verlengd, was de bedrijfszekerheid zoo groot
veworden, dat er twee fabrieken bij werden gebouwd, zoodat
het aantal ondernemingen in 1897 tot 4 steeg.
In datzelfde jaar werd er op invoer van buitenlandsche suiker
sen recht van 35 centimes gelegd, zoodat de binnenlandsche
&amp;gt;roducent de aanzienlijke bescherming van 35 + 16 = 51 cenimes
 per K.G. suiker genoot, die in het binnenland werd geconsumeerd.
 In 1898 hief de Regeermg echter een accijns op
de binnenlandsche suiker van 15 centimes, die dus het voordeel
tot 36 centimes teruggebracht, en in 1899 werd deze tot 30 centimes
 verhoogd, waardoor het voordeelige. verschil wederom
daalde, maar aangezien terzelfder tĳd bepaald werd, dat de
premie op de geproduceerde suiker à 16 centimes tot het jaar
1914 zou worden verlengd, achtte men den toestand voor de
suikerfabrieken zoo gunstig, dat er onmiddellijk nog twee werden
 bijgebouwd, waardoor er toen 6 in werking waren. Het
        <pb n="98" />
        47

gevolg van deze vermeerdering was al zeer spoedig, dat de productie
 van Rumeensche suiker de zeer geringe en niet voor
sterke uitbreiding vatbare consumptie overtrof en er suiker
uitgevoerd werd. Dit kon des te gemakkelijker geschieden,
doordat de regeeringspremie à 16 centimes per K.G. voor alle
geproduceerde suiker werd gegeven, dus ook voor die hoeveelaeid,
 die uitgevoerd werd. De eenige, die bĳ deze regeling te
kort kwam, was de schatkist, die vooreerst al veel nadeel had
geleden doordat er in plaats van de veel invoerrecht betalende
ingevoerde suiker nu uitsluitend met een lageren accijns belaste
oinnenlandsche suiker werd geconsumeerd, en die bovendien
10g een premie van 16 centimes ontving, terwijl de ingevoerde
natuurlijk geen premie had ontvangen. in het jaar 1gor-02 betaalde
 Rumenië frs. 2.622.173 premie op binnenslands geconsumeerde
 suiker en frs. 712.970 premie op uitgevoerde of ruim
‘Ts. 3 millioen in het geheel. Volgens de bepalingen moest de
premie op de productie doorgaan, maar men vond het er op
zen uitvoerrecht van 16 centimes per K.G. op uitgevoerd wordende
 suiker te leggen, zoodat de premie op deze hoeveelheid
in de schatkist bleef en de Rumeensche suikeruitvoer onmiddellijk
 ophield. Deze tegenslag had het sluiten van een van de
6 fabrieken tengevolge en de andere werkten door en contingenteerden
 de productie en de verdeeling onder elkander, waardoor
 productie en consumptie met elkander in overeenstemming
zijn gebracht en er nagenoeg geen in- noch uitvoer van suiker
meer voorkomt.
De Rumeensche suikerproductie was in de verschillende jaren
1806 als volgt in tonnen:

14

1896/96.
1897/98
1898/99.
1899/00.
[900/0r.
1901/02. ..
1902/03. .

1.709
222
ee
8.353
(8.721
25.869
'C,OIT

1903/04
1904/05
1905/06
1906/07.
1907/08.
1908/09.
1009/10.

25.093
19.410
28.585
26.400
16.350
24.900
20.666
        <pb n="99" />
        INHOUD.

BLZ,

VOORWOORD . .

i. FRANKRIJK.
[I. DUITSCHLAND
III. RUSLAND .
IV. OOSTENKIJK- HONGARIJE
V. NEDERLAND .
VI. BELGIË .
VIL SPANJE
VIII. ITALIË
IX. ZWEDEN
X. RUMENIË

a

3%

55

67

78

84

20

93

nt

7]
        <pb n="100" />
        /
-

J
        <pb n="101" />
        <pb n="102" />
        <pb n="103" />
        <pb n="104" />
        <pb n="105" />
        <pb n="106" />
        <pb n="107" />
        <pb n="108" />
        <pb n="109" />
        <pb n="110" />
      </div>
    </body>
  </text>
</TEI>
