In het jaar 1892 was de belasting op suiker vastgesteld in
peseta’s per 100 K.G.:
Vreemde suiker 50.
Suiker uit Spaansche koloniën 33.50.
Accijns op in Spanje bereide suiker zo.
In het laatste geval werd een rendement van 5 pCt. uit beetwortelen
en uit riet als grondslag voor ‘de belasting aangenomen,
zoodat er bij een mooie surtaxe van 30 en 3.50 peseta’s
per 100 K.G. nog een zware premie aan de Spaansche suikerfabrikanten
toegestaan werd, doordat zij veel meer dan 5 PCt.
:endement uit hun grondstof konden winnen, Desniettegenstaande
nam de suikerindustrie niet sterk in omvang toe. Het
gedeelte van Spanje, dat voor rietsuikerkultuur geschikt is, beslaat
een klein deel van Andalusië en wel dat, wat tusschen Alme-‘ia
en Gibraltar gelegen is, terwijl de beetwortelsuikerindustrie
ook nog slechts schoorvoetend tot uitbreiding overging. In het
jaar 1886 bestonden er in de nabijheid van Grenada en Cordova
twee fabriekjes, welk aantal in 1890 weliswaar reeds tot
II was gestegen, doch hunne totale productie was en bleef onbeduidend,
zoolang de aanvoeren van de Spaansche koloniën
het land van suiker bleven voorzien. Toen evenwel Spanje na
den ongelukkigen oorlog tegen de Vereenigde Staten Por-:orico
en de Philippijnen moest afstaan en Cuba als
onhankeljken staat erkende, verviel alle reden om de
voormalige koloniën nog verder begunstigingen toe te
staan en in het jaar 1899 werd het invoerrecht op alle
van buitenslands ingevoerde suiker op 85 peseta’s per zoo K.G.
gebracht en de accijns op in het binnenland voortgebrachte op
25, zoodat er eene surtaxe van niet minder dan 60 peseta’s per
too K.G. werd toegestaan. Deze verhinderde, gelijk dan ook
uit de boven opgenomen tabel blijkt, allen invoer van buitenslands
en gaf een krachtigen stoot tot ontwikkeling van de eigen
suikerindustrie. Gelijk wij reeds vermeldden, is de rietsuikerindustrie
niet voor verdere uitbreiding vatbaar, zoodat de ver.
meerdering van de eigen productie alleen aan de beetwortelsuiker-