3)
Waar in de eerste jaren na de oprichting van de beetworielsuikerfabrieken
de consumptie vrijwel aan de productie gelijk
was, zoodat er geen groote overschotten aan suiker overbleven
en de fabrikanten dus al hun product tegen den hoogen
prijs in het binnenland konden afzetten, veranderde dit
na 1902 en van toen af is de hoeveelheid onverkochte suiker
'n Spanje steeds aanzienlijk gebleven. Op 31 December 1900
was de suikervoorraad in Spanje 52.000 ton groot en is langzamerhand,
doch gestadig, toegenomen, om op 31 December
tgog zelfs het bedrag van 114.800 ton te hebben bereikt. Wanneer
er dus in dat land een geheel jaar geen suiker zou wor-Jen
bereid, dan was de voorraad aanwezig product nog ruim
voldoende om ‘het zonder invoer van buiten te kunnen doorkomen.
Door de zeer hooge productiekosten is het onmogelijk de
suiker op de wereldmarkt te brengen, de hooge verbruiksbelasing
van 37.5 peseta’s per 100 K.G. houdt in Spanje met zijn
weinig koopkrachtige bevolking de suikerconsumptie laag (onzeveer
4.5 K.G. per hoofd per jaar), zoodat de positie van de
suikerindustrie waarschijnlijk in de. eerstvolgende jaren eene
wijziging zal dienen te ondergaan, om niet onder de overpro-Juctie
al te zwaar te lijden. Er worden voortdurend onderhandelingen
gevoerd tusschen de Regeering en de suikerfabrikanten,
maar aangezien zeer onlangs de suikeraccijns van 35 tot
37.50 peseta’s verhoogd is geworden, schijnt men de oplossing
iet in de zoo voor de hand liggende verhooging van de binaenlandsche
consumptie te zoeken.