Y
ZWEDEN.
Reeds in het jaar 1839 werd er op het Zweedsche eiland
Schonen eene poging aangewend om beetwortelsuiker te produceeren,
doch het gehalte van de grondstof aan suiker was zoo
bedroevend klein, dat de poging weldra opgegeven werd en
het ruim 25 jaar duurde eer men in Zweden weder tot beetwortelsuikerfabrikatie
overging. In het jaar 1870 werd er weder
een suikerfabriek opgericht, maar hoewel er wel eenige sui
ker voortgebracht werd, bleef de suikerindustrie op zeer kleine
schaal bestaan en breidde zich eerst sedert 1883 merkbaar uit.
Er bestond een invoerrecht op suiker van 33 kronen per 100
K.G. raffinade en van 23.5 kr. voor ruwe suiker en de binnenlandsche
productie was onbelast, totdat in 1893 accijns op
in Zweden geproduceerde suiker geheven werd tot een bedrag
van de helft van het invoerrecht. Als grondslag voor de belastingheffing
werd het gewicht der verwerkte beetwortelen aangenomen,
en verondersteld, dat daaruit 1o4 pCt. rendement
zou verkregen kunnen worden. Dat cijfer van 104 pCt. was
alleen voor de reeds bestaande fabrieken aangenomen en voor
nieuw opgerichte ondernemingen, die minstens 30 K.M. van een
reeds bestaande suikerfabriek mochten worden gevestigd, was het
voor de eerste 3 jaren op 8}, dan gedurende 2 jaren op 9%
en eerst daarna op het volle bedrag van 10} pCt. vastgesteld.
In het jaar 1900. vervielen alle uitzonderingen en was het belastbare
rendement over het geheele land op 12 pCt. bepaald.
Bij uitvoer had geen restitutie van den accijns plaats, zoodat er