—
30 —
Dat een goede organisatie niet in één dag verkregen wordt,
dat een goede organisatie onder de tegenwoordige omstandigheden
onmogelijk is, dat alles neemt niet weg, dat de nijverheid mag
verwachten te eeniger tijd met eigen oogen te kunnen zien op
de buitenlandsche markten; dat onze consuls daarbij als adviseurs
zeer groote diensten zullen kunnen bewijzen, ligt voor de hand.
Nog eens, de directe bezwaren tegen een nijverheidsbank zijn
groot. Niet alle ondernemingen zijn los van haar geldinstituten.
In den beginne zullen het niet zijn de groote fabrieken, die zich
aansluiten, maar indien de nijverheidsbank met haar vertakkingen
voordeelen begint af te werpen, dan volgt de eene onderneming
nà de andere. Ook de middenstands-credietbanken werken zich
langzaam maar zeker in, tusschen de gelederen der groote detailzaken,
en hoe kleiner begonnen wordt, hoe minder zwaarwegende
leden in den aanvang medewerken, hoe beter, geleidelijker en
onpartijdiger zal de groei zijn.
Dat het verkrijgen van grondstoffen voor de industrie bij de
nieuwe organisatie in het oog moet worden gehouden, spreekt wel
vanzelf. Want daarmede zal een nijverheidsbank bij steunverleening
rekening moeten houden: een industrie, welke niet ten
allen tijde de beschikking heeft over grondstoffen; een industrie
die afhankelijk is van octrooien in handen van anderen, is een
altijd gevaarlijke onderneming. In- en uitvoerrechten, scheepsvrachten,
monopolies en wat niet al kunnen zelfs in vredestijd zulk
een bedrijf hinderen, zoo al niet onmogelijk maken.
Vele dezer industrieën behouden dan ook een kunstmatig karakter
en berusten niet op de exploitatie der natuurlijke rijkdommen,
van den bodem, maar op de exploitatie der arbeidskrachten der
bevolking. Waar men de exploitatie de arbeidskrachten niet kan
laten samengaan met exploitatie der eigendommen, doch voor de
grondstoffen en procédés afhankelijk is van anderen, waar het
tot waarde brengen van arbeidskrachten hoofdzaak wordt, m.a. w.
waar de industrie zuiver beschouwd wordt als werkverschaffing,
daar gaat men — misschien noodgedrongen — den verkeerden
weg op. Men schept een natie, die hunkert naar de rijkdommen
van anderen, die deze niet zelf kunnen of willen exploiteeren. !)
Dergelijke industrieën berusten dan of op een betere scholing
der werkkrachten, òf in ’t algemeen op betere bedrijfstoestanden,
Y Dit vormt den grondslag voor het imperialisme.