“°
voor geraffineerd ‘boven 93 pCt., alles per 100 K.G. De bedoeling
van deze zeer zware premie, ‚Kampfprämie”’ genoemd,
was vooreerst om den suikeruitvoer nog meer te begunstigen en
daardoor dien van andere landen te fnuiken, zoodat die den
strijd moesten opgeven en Duitschland het veld laten behouden.
Een tweede doel, dat met die verhooging beoogd werd, was
de kosten zoover op te drijven, dat het voor menig land onmogelijk
zou zijn den strijd vol te houden en hen dus zou dwingen
loor gezamenlijk te werk te gaan, de premiën af te schaffen.
De volgende tabel geeft de bedragen aan van den ontvangen
accijns en van de uitvoerpremie, die door de verdubbeling
inhet jaar 1895 aanmerkelijk toenam, zonder echter de vroegere
bedragen te kunnen ‘bereiken. Tevens zijn eenige cijfers aangaande
den prijs van ruwe onbelaste en geraffineerde belaste
suiker opgegeven.
Men ziet, dat de schatkist wel voer bij de verandering in het
regime en in plaats van ruim 14 millioen Mark in 1887-88
t17.593.000 Mark in 1902-03 ontving, terwijl toch de accijns vrijwel
dezelfde was gebleven. De fabrikanten ontvingen bij den uitvoer
wel minder dan tevoren, doch ontvingen evenwel ieder jaar
een zeer welkom geschenk door het bedrag van de uitvoerpremie,
dat hen zonder eenige risico zeer gemakkelijk uit de schatkist
toevloeide. Hiermede evenwel niet tevreden, wisten zij op voorbeeld
van hunne Oostenrijksche vakgenooten het groote verschil,
dat er tusschen den accijns en het invoerrecht bestond, tot hun
voordeel aan te wenden.
De accijns op in het land geproduceerde suiker bedroeg 20
Mark per 100 K.G. geraffineerd en het invoerrecht was bij de
laatste regeling in-1895 op 40 Mark gebracht, zoodat het geheel
‚nmogelijk werd om suiker met eenige kans op voordeel in te
voeren, en de fabrikanten zich dus niet over concurrentie met
het buitenland op de binnenlandsche markt het hoofd behoefden
te breken.
Ten einde dit voor hen zoo gunstige monopolie te exploiteeten,
sloten de gezamenlijke beetwortelsuikerfabrikanten en raf: